ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7563
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- M.M. van der Kade
- R.M. van Male
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens onvoldoende beperkingen
Appellante, werkzaam als bloembindster, meldde zich in 1990 ziek en ontving aanvankelijk een WW-uitkering. Na afloop van de maximale periode ziekengeld werd haar een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 1995 werd deze uitkering ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid volgens het bestreden besluit minder dan 25% respectievelijk 15% bedroeg.
De Raad baseerde zich op medische rapportages van verzekeringsgeneeskundigen en een arbeidsdeskundige die concludeerden dat appellante in staat was hele dagen te werken in geschikte functies. Appellante voerde aan dat zij meer beperkt was en overhandigde aanvullende medische rapporten, maar deze gaven geen aanleiding tot een ander oordeel.
De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht geen afzonderlijke beoordeling van alle medische rapporten hoefde te geven en bevestigde het besluit tot intrekking van de uitkering. Er was geen sprake van een overschatting van de belastbaarheid en de geselecteerde functies waren passend.
De klacht dat de rechtbank niet op alle argumenten was ingegaan, werd verworpen omdat de Awb niet vereist dat op elk argument afzonderlijk wordt ingegaan. De Raad vond geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro en bevestigde daarmee de bestreden uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.