ECLI:NL:CRVB:1995:ZF1847
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Boesjes
- Ch. de Vrey
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Nietigheid bestreden besluit over verjaring bezoldiging na ontslag bij ziekte ambtenaar
De zaak betreft een hoger beroep van een ambtenaar tegen een besluit van het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam dat haar verzoek om bezoldiging na ontslag bij ziekte niet-ontvankelijk verklaarde voor de periode 1 februari 1982 tot 1 februari 1983.
De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat de verjaringsbepalingen uit artikel 123 Ambtenarenwet Pro (oud) en de Wet van 31 oktober 1924 niet rechtstreeks van toepassing zijn op bestuursrechtelijke procedures in ambtenarenzaken. De Raad benadrukt dat verjaring in bestuursrechtelijke context anders werkt dan in het burgerlijk recht, mede vanwege de aanwezigheid van termijnen voor aanvragen en beroep.
De Raad overweegt dat de ambtenaar haar verzoek pas in 1988 indiende, terwijl zij vanaf het moment dat zij wist van de inhoudingen (eind 1982) al in actie had kunnen komen. Hierdoor was het verzoek feitelijk te laat en had het bestuursorgaan zich op verjaring kunnen beroepen. Desondanks had het bestuursorgaan het verzoek moeten behandelen en afwijzen, in plaats van niet-ontvankelijk verklaren.
De Raad bevestigt het vonnis van de rechtbank dat het bestreden besluit nietig is, maar op andere formele gronden dan de rechtbank had aangevoerd. De Raad verklaart de nietigheid voor gedekt en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Hiermee wordt het belang van rechtszekerheid en correcte toepassing van verjaring in bestuursrechtelijke ambtenarenzaken benadrukt.
Uitkomst: Het bestreden besluit is nietig verklaard en het beroep van de ambtenaar is gegrond verklaard voor de periode 1 februari 1982 tot 1 februari 1983.