Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Otolift Trapliften B.V., te Bergambacht
de staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport
[naam 1] B.V., te [vestigingsplaats]
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
CE-markering en Verklaring van Overeenstemming heeft hier betrekking op. Voor een andere locatie moet de installatie opnieuw ontworpen worden wat in de regel tot aanpassingen van de railbaan leidt. Deze aanpassingen zijn hierdoor ingrijpende wijzigingen waardoor er, overeenkomstig de vigerende wetgeving (Warenwetbesluit machines) een nieuwe machine ontstaat. Hierdoor moeten de overeenstemmingsprocedures opnieuw gevolgd worden en een nieuwe Verklaring van Overeenstemming met CE-markering worden afgegeven. Ook voor deze installatie is dit het geval. Daarbij is het ontwerp en installatie niet overeenkomstig dan wel gelijkwaardig aan de veiligheidsnorm.”
Uitspraak van de rechtbank
“een product dat in belangrijke mate is gewijzigd of gereviseerd met het oog op het veranderen van zijn oorspronkelijke prestaties, doel of type kan eventueel als een nieuw product worden beschouwd. (…) Als uit de risicobeoordeling wordt geconcludeerd dat de aard van het gevaar is veranderd of het risiconiveau is verhoogd, moet het gewijzigde product worden beschouwd als een nieuw product”.
"ingrijpende wijziging", een term die nergens wordt gedefinieerd. Wel wordt de term gebruikt in de door eiseressen ingebrachte werkinstructie “Beoordelen van gewijzigde machines” van de Nederlandse Arbeidsinspectie, waarin onder meer het volgende staat:
"flowchart"die in bijlage 3 bij de bestreden besluiten is opgenomen
(“Fig. 1: Decision steps - substantial modification to machinery”). De daarin gebruikte terminologie komt overeen met de nog niet in werking getreden Machineverordening, waarin
“substantiële wijziging”in artikel 3, zestiende lid is gedefinieerd als:
een niet door de fabrikant voorziene of geplande wijziging van een machine of verwant product met fysieke of digitale middelen nadat die machine of dat verwante product in de handel is gebracht of in bedrijf is gesteld, die gevolgen heeft voor de veiligheid van die machine of dat verwante product, door een nieuw gevaar te creëren of een bestaand risico te vergroten.
niet door de fabrikant voorziene of geplande wijziging van een machine of verwant product met fysieke of digitale middelen nadat die machine of dat verwante product in de handel is gebracht of in bedrijf is gesteld, die gevolgen heeft voor de veiligheid van die machine of dat verwante product, door een nieuw gevaar te creëren of een bestaand risico te vergroten, zodat het volgende vereist is:a) de toevoeging van afschermingen of beveiligingsinrichtingen aan die machine of dat verwante product waarvan de realisatie een wijziging vereist van het bestaande veiligheidscontrolesysteem, ofb) de vaststelling van aanvullende beschermingsmaatregelen om de stabiliteit of de mechanische sterkte van de machine of dat verwante product te waarborgen.
NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie. Als notified body, in het Warenwetbesluit machines aangeduid als EU-divisie conformiteitsbeoordelingsinstantie, kunnen worden aangewezen instellingen die voldoen aan de voorwaarden genoemd in het Warenwetbesluit machines. Uit het verweerschrift blijkt dat het Liftinstituut is geaccrediteerd voor het doen van typeonderzoek aan hijs- en hefwerktuigen voor het heffen van personen of van personen en goederen waarbij een gevaar voor een vrije val van meer dan 3 meter bestaat. Uit 6.1. blijkt dat trapliften hier niet onder vallen en het Liftinstituut is niet geaccrediteerd voor het inspecteren en controleren van de trapliften zoals hier aan de orde. Dat neemt niet weg dat het Liftinstituut veel deskundigheid op het gebied van (trap)liften heeft, maar dat het aan de NVWA is om te bepalen of er sprake is van een substantiële wijziging.
[…]”
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
22 oktober 2020 (Handicare), 23 oktober 2020 (Otolift) en 29 oktober 2020 (TK Home Solutions) tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en ruim drie maanden verstreken. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. De redelijke termijn van vier jaar is dus met één jaar en ruim drie maanden overschreden. Dit betekent dat de schadevergoeding voor elk van de trapliftproducenten in beginsel moet worden vastgesteld op een bedrag van € 1.500,-. Omdat de trapliftproducenten gezamenlijk als partij aan de procedure hebben deelgenomen, ziet het College aanleiding dit bedrag te matigen in die zin dat dit bedrag van € 1.500,- gelijk over de trapliftproducenten wordt verdeeld. Dit betekent dat aan de trapliftproducenten elk een bedrag van € 500,- moet worden toegekend. Deze matiging acht het College redelijk vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen als partij in deze procedure heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lang durende procedure. Door gezamenlijk op te treden hebben zij de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen (vergelijk de uitspraak van 26 maart 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2025:1202, onder 18.3).
Beslissing
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
- veroordeelt de staatssecretaris (in de zaak 24/304) tot betaling van € 500,- aan Otolift voor immateriële schade;
- veroordeelt de staatssecretaris (in de zaak 24/305) tot betaling van € 500,- aan Handicare voor immateriële schade;
- veroordeelt de staatssecretaris (in de zaak 24/306) tot betaling van € 500,- aan TK Home Solutions voor immateriële schade;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van de trapliftproducenten tot een bedrag van € 467,-.