Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 februari 2026 op het hoger beroep van:
Veehandel [naam 1] , te [woonplaats 1] , (veehandel)
(gemachtigde: mr. C.A. van Kooten-de Jong),
de veehandel
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Procesverloop in hoger beroep
rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 21 januari 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:240).
Grondslag van het geschil
7 februari 2020 (nr. 202000044) (boetebesluit II)een boete aan de veehandel opgelegd van € 3.000,- vanwege het feit dat de veehandel als vervoerder, tevens verzamelcentrum, een schaap vervoerde en liet vervoeren dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport, omdat het niet in staat was zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen. Volgens de minister heeft de veehandel daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren, en artikel 3, aanhef en onder b, artikel 6, derde lid, en artikel 9, eerste lid, van de Transportverordening en gelet op Bijlage I, Hoofdstuk I, paragraaf 1 en 2, aanhef en onder a, van deze verordening.
In een hoek zag ik één schaap blijven liggen, dit schaap trok mijn aandacht omdat het als enige bleef liggen. Ik liep naar het schaap, met I&R (identificatie en registratie) nummer: NL
18 oktober 2019, is beboet voor eenzelfde overtreding en er nog geen vijf jaren zijn verlopen sinds die eerdere boete onherroepelijk is geworden.
De uitspraak van de rechtbank
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Ook indien een rapport van bevindingen niet op ambtsbelofte of ambtseed is opgemaakt, mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA kan daarom niet lichtvaardig voorbijgegaan worden. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent. Als een rapport van bevindingen, zoals RvB III, niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt, komt aan de in het rapport vermelde feiten en omstandigheden daarmee minder bewijskracht toe, dan wanneer deze zouden zijn opgenomen in een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Maar dit betekent niet dat het bestuursorgaan zijn besluit niet (uitsluitend) op het rapport van bevindingen mocht baseren. Het College betrekt hierbij dat het rapport is opgesteld door een opgeleide toezichthouder, van wie niet is gebleken dat deze een belang heeft bij het onjuist vermelden van wat hij heeft waargenomen. Het ligt op de weg van degene bij wie de controle is verricht om aannemelijk te maken dat de bevindingen niettemin onjuist zijn (zie onder andere de uitspraak van het College van 19 september 2023, ECLI:NL:CBB:2023:514).
en/of later heeft beoordeeld in verband met aangeboren aandoeningen.
De stelling van de veehandel dat zijn chauffeurs en de veehouders voor het transport geen gebreken bij de dieren hebben gezien, is geenreden om aan de juistheid van de bevindingen van de toezichthouders te twijfelen. De toezichthouders hebben vanuit hun deskundigheid als dierenarts vastgesteld dat de schapen zich niet op eigen kracht pijnloos konden voortbewegen en dat dit al voorafgaande aan het transport het geval moet zijn geweest en wat de veehandel niet onderbouwd daartegenover heeft gesteld is onvoldoende om aan die vaststelling voorbij te gaan.
18 juli 2024 het “Matigingsbeleid bij zodanig laat in kennis stellen van onderzoeksbevindingen dat matiging gepast is”, code BJZ-TBM-036, versie 05 van
31 oktober 2023 (oude matigingsbeleid), ingestuurd. Daarbij heeft de minister vermeld dat dit interne beleid als gedragsregel is aan te merken, maar geen beleidsregel is in de zin van de Awb. De minister heeft opgemerkt dat hij sinds 3 april 2023 boetes matigt als er sprake is van te lang tijdsverloop tussen de overtreding en het aanzeggen van de controlebevindingen. Als de periode tussen het vaststellen van de overtreding en het daarvan op de hoogte brengen van de overtreder meer dan zeven maanden is, bedraagt het matigingspercentage 10% en als deze periode meer dan veertien maanden is, bedraagt het matigingspercentage 15%.
14 juli 2025 (Werkinstructie/nieuwe matigingsbeleid), die het oude matigingsbeleid vervangt. Voor zover hier van belang, houdt het nieuwe matigingsbeleid in dat, indien het langer dan 24 weken heeft geduurd voordat de overtreder op de hoogte is gesteld van de onderzoeksbevindingen, een matiging van 10 % wordt toegepast op het boetedeel dat ziet op de op grond van die bevindingen vastgestelde nieuwe overtreding. In het geval van recidive wordt alleen op dat boetedeel een matiging van 10 % toegepast, waarna het recidivedeel bij dit gematigde boetedeel wordt opgeteld. Volgens de minister is genoemde termijn van 24 weken alleen bij het in kennis stellen van de onderzoeksbevindingen in RvB I overschreden, namelijk met ongeveer vijf weken. Dit betekent volgens het nieuwe matigingsbeleid dat de boete van € 1.500,- wegens de bij de controle op 29 mei 2019 vastgestelde overtreding moet worden gematigd tot € 1.350,-. Rekening houdend met de verhoging wegens recidive bedraagt de totale boete in verband met die overtreding volgens de minister dan € 2.850,- (€ 1.350,- vermeerderd met € 1.500,-). De minister vraagt het College om de voor genoemde overtreding opgelegde en door de rechtbank in stand gelaten boete van in totaal € 3.000,- te matigen tot € 2.850,-. De op basis van RvB II en RvB III opgelegde boetes komen, aldus de minister, volgens het nieuwe matigingsbeleid niet voor matiging in aanmerking, omdat de termijn van 24 weken niet is overschreden.
De NVWA vindt het bestaan van de situatie onwenselijk. Om recht te doen aan de positie van de belanghebbende die met (een van) de situaties te maken krijgt, vindt vanuit het oogpunt van behoorlijkheid matiging van de op te leggen boete plaats.”
.In de gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, handelt het College naar bevind van zaken. Het College ziet aanleiding de boete te matigen met 20% tot een bedrag van € 2.400,- (€ 3.000,- verminderd met € 600,-).
.Op het moment van deze uitspraak, is de redelijke termijn overschreden met bijna één jaar en vijf maanden. Deze overschrijding is volledig toe te rekenen aan de rechterlijke fase. Het College ziet reden de boete te matigen met 15% tot een bedrag van € 3.825,- (€ 4.500,- verminderd met € 675,-).