20.2De AFM vindt dat de uitvoering van deze werkzaamheden ontoereikend is en heeft zeven klachtonderdelen geformuleerd. De AFM verwijt [naam 1] dat
1. hij de effectieve werking van de interne beheersingsmaatregelen onvoldoende heeft vastgesteld;
2. hij onvoldoende inzicht heeft verkregen in de opzet en nauwkeurigheid van de interne beheersingsmaatregelen;
3. hij onvoldoende de betrouwbaarheid van de totstandkoming van de selectie van de dertien projecten heeft vastgesteld;
4. hij onvoldoende de betrouwbaarheid van de van [naam 6] ontvangen documenten heeft vastgesteld;
5. hij onvoldoende de omvang van de selectie van de dertien projecten heeft onderbouwd;
6. hij met de door hem verrichte werkzaamheden onvoldoende controle-informatie heeft verkregen met betrekking tot de volledigheid van de omzet;
7. hij ten onrechte het controleresultaat op de gehele populatie van de omzet heeft geprojecteerd omdat hij geen steekproef heeft gedaan.
20.3.1De accountantskamer heeft in de overwegingen 18 tot en met 22 van de bestreden uitspraak geoordeeld over de klachtonderdelen 1 tot en met 7. Zij heeft allereerst vastgesteld dat de term dual-purpose test in NV COS 330.A23 is omschreven als “een toetsing van interne beheersingsmaatregelen en een detailcontrole voor dezelfde transactie”. Verder stelt zij vast dat [naam 1] de volledigheid van de in de jaarrekening van [naam 6] verantwoorde omzet als significant auditrisico heeft geïdentificeerd, dat hij het frauderisico in de opbrengstverantwoording als laag heeft ingeschat en dat dit volgens Standaard 240.26 toelaatbaar is.
20.3.2De accountantskamer heeft haar oordeel gebaseerd op het controledossier dat [naam 1] volgens NV COS 230.8 moest opstellen, waarbij het dossier voldoende inzicht moet geven in de uitgevoerde controlewerkzaamheden. De accountantskamer heeft het verweer van [naam 1] gepasseerd dat hij met de dual-purpose test niet heeft beoogd de effectieve werking van de interne beheersingsmaatregelen ten aanzien van het verkoopproces vast te stellen en dat het een gegevensgerichte controle betrof. Uit het controledossier is namelijk gebleken dat [naam 1] wel degelijk de effectiviteit van de interne beheersingsmaatregelen wilde toetsen, wat volgens NV COS 315.29 bovendien verplicht was vanwege het geïdentificeerde auditrisico.
20.3.3[naam 1] heeft na kritiek van de AFM geprobeerd zijn werkzaamheden met aanvullende documenten te onderbouwen, maar dat is volgens de accountantskamer te laat, want het controledossier moest ten tijde van de afgifte van de controleverklaring al volledig zijn. Het verweer van [naam 1] is volgens de accountantskamer vaak onduidelijk en bestaat uit verwijzingen naar producties zonder heldere toelichting waarvan bovendien niet altijd duidelijk is of deze onderdeel uitmaken van de controledocumentatie.
20.3.4De accountantskamer is verder van oordeel dat uit het controledossier niet blijkt dat [naam 1] met betrekking tot de effectieve werking van de interne beheersingsmaatregelen voldoende werkzaamheden heeft verricht. Uit het controledossier blijkt niet dat hij heeft vastgesteld welke handelingen functionarissen van [naam 6] hebben verricht en of deze functionarissen daartoe bevoegd waren, terwijl dit volgens NV COS 330.10 verplicht is. Ook zijn bepaalde processtappen die [naam 1] binnen de dertien projecten heeft onderscheiden, niet ingevuld. Daardoor staat niet vast dat verkooptransacties juist zijn geboekt en gecontroleerd. [naam 1] heeft daarnaast de opzet van de interne beheersingsmaatregelen niet voldoende geëvalueerd en de betrouwbaarheid van door [naam 6] aangeleverde documenten niet beoordeeld, wat strijdig is met NV COS 500.9.
20.3.5Verder overweegt de accountantskamer voor de volledigheid nog dat ook als de werkzaamheden ten aanzien van de dertien projecten een gegevensgerichte controle vormen, die werkzaamheden geen voldoende en geschikte controle-informatie opleveren. [naam 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de selectie van de dertien projecten een geldige steekproef als bedoeld in Standaard 530 is. Uit de deelwaarneming ten aanzien van de dertien projecten kan op grond van Standaard 500.A55 geen conclusie over de gehele populatie van de omzet worden getrokken.
20.3.6De accountantskamer concludeert dat de zeven klachtonderdelen gegrond zijn.
20.4.1[naam 1] heeft tegen de overwegingen 18 tot en met 22 van de bestreden uitspraak – kort samengevat – aangevoerd dat de dual-purpose test niet tot doel had om de effectieve werking van de interne beheersingsmaatregelen te toetsen. Volgens [naam 1] blijkt uit het Excel-document met de dertien projecten duidelijk dat er geen interne beheersingsmaatregelen worden getest. Als op een materiële wijze naar dit document gekeken zou worden, zou blijken dat het alleen om een inventarisatie van opzet en bestaan gaat. Ook heeft [naam 1] gesteld dat hij de volledigheid van de omzetverantwoording niet als significant risico heeft geïdentificeerd. [naam 1] heeft verder gesteld dat hij het niet eens is met de duiding door de accountantskamer van NV COS 230.8. Daarin staat dat de accountant de controledocumentatie zo dient op te stellen dat die voldoende is om een ervaren accountant die niet eerder bij de controle betrokken was, in staat te stellen inzicht te verwerven. De accountantskamer heeft miskend dat sprake moet zijn van een ervaren accountant en dat in NV COS 230.8 niet staat dat het controledossier voldoende inzicht moet geven, maar dat daarin staat “in staat stellen inzicht te verwerven” en dat een tekort aan kennis van [naam 6] bij de accountant niet ertoe kan leiden dat documentatie in haar samenhang als onvoldoende wordt aangemerkt. Daarnaast geldt dat op grond van NV COS 230.A5 zaken mondeling mogen worden toegelicht, maar die gelegenheid heeft [naam 1] niet gekregen.
20.4.2Deze hogerberoepsgronden slagen niet. Uit het controledossier blijkt duidelijk dat [naam 1] met de dual-purpose test tot doel had om de effectieve werking van de interne beheersingsmaatregelen – en niet slechts de opzet en het bestaan ervan – vast te stellen. Het College verwijst naar overweging 18.3 van de bestreden uitspraak waarin de accountantskamer meerdere citaten uit het controledossier heeft opgenomen waaruit dit blijkt. Zoals het College hiervoor al heeft overwogen, mag [naam 1] gehouden worden aan wat hij in zijn controledossier heeft vermeld over de inrichting en uitvoering van zijn controle. Ook als met een andere blik naar het Excel-document gekeken zou kunnen worden, zou dat niet meebrengen dat niet van de letterlijke weergave van het onderzoeksdoel uitgegaan moet worden. Ook voor wat betreft de stelling dat [naam 1] de volledigheid van de omzetverantwoording niet als significant risico heeft geïdentificeerd, verwijst het College naar het controledossier. Daar is in het document ‘Controleplan [naam 6] B.V.’ op pagina 5 het volgende te lezen:
“
Audit risico’s
Significante risico’s:
1. Volledigheid van de omzet.
De verwachte omzet voor 2016 is geschat op meer dan 27 mln.
[…]”
Dit kan, anders dan [naam 1] stelt, niet worden afgedaan als gebrekkige documentatie van zijn kant. Ook de verwijzing naar de afbeelding uit het programma FDS account-analyser, waaruit zou blijken dat de volledigheid van de omzetverantwoording niet als significant risico is aangemerkt, kan [naam 1] niet baten. Dit stuk betreft een screenshot van de digitale map ‘evaluatie eindejaarscontrole’ waarvan niet duidelijk is wie deze map heeft opgesteld en wanneer. Aan dit stuk kan niet de waarde worden toegekend als aan de door [naam 1] in het controledossier beschreven inrichting van de controle.
20.4.3Uit NV COS 230.8 volgt dat het aan [naam 1] is om de controledocumentatie zo op te stellen dat die voldoende is om een ervaren accountant in staat te stellen inzicht te verwerven in het controledossier. Het College ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat de accountants van de AFM die dit onderzoek hebben uitgevoerd niet ervaren zijn en/of dat zij niet in staat zijn om inzicht te verwerven in het controledossier of in het bedrijf [naam 6] . Verder wijst het College erop dat in NV COS 230.A5 staat dat een mondelinge toelichting door de accountant op zichzelf geen adequate onderbouwing vormt voor de werkzaamheden die hij heeft verricht of voor de conclusies die hij heeft getrokken, maar dat een mondelinge toelichting wel gebruikt kan worden om informatie die in de controledocumentatie is opgenomen, uit te leggen of te verduidelijken. Uit NV COS 230.A5 volgt dat de accountant weliswaar in het controledossier opgenomen informatie mondeling mag toelichten, maar daar valt niet onder: in het controledossier stellen dat een bepaalde werkzaamheid met een bepaald doel zal worden verricht, dit vervolgens achterwege laten en daarna mondeling toelichten dat nooit is beweerd dat die werkzaamheid zou worden verricht. Zoals de accountantskamer terecht heeft overwogen, moet uit het controledossier zoals dat ten tijde van de afgifte van de controleverklaring was samengesteld, volgen welke controlewerkzaamheden de accountant heeft verricht en dat die werkzaamheden voldoende en geschikte controle-informatie hebben opgeleverd. Dus al zou [naam 1] te weinig mogelijkheid hebben gehad om zijn werkzaamheden en standpunten mondeling toe te lichten – wat niet het geval is, zie het oordeel van het College ten aanzien van [naam 5] in 16.4 – dan leidt dit niet tot het oordeel dat [naam 1] met de dual-purpose test slechts tot doel had om de opzet en het bestaan van de beheersingsmaatregelen vast te stellen.
20.4.4De hogerberoepsgronden die in 20.4.1 zijn weergegeven slagen dus niet.
Klachtonderdeel 8 Cijferanalyse