ECLI:NL:CBB:2026:145
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing herzieningsverzoek fosfaatrechten wegens ontbreken nieuwe feiten
De maatschap verzocht de minister om herziening van het aantal fosfaatrechten, maar dit verzoek werd afgewezen omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangevoerd. De maatschap stelde dat de besluiten door onbevoegde personen waren genomen en dat de minister de hoorplicht had geschonden door een geplande hoorzitting te annuleren.
Het College oordeelde dat er geen sprake was van een mandaatgebrek, aangezien de besluiten bevoegd waren genomen door gemandateerde functionarissen binnen de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Wel werd vastgesteld dat de minister de hoorplicht had geschonden door de hoorzitting kort voor de geplande datum te annuleren, maar dit gebrek werd gepasseerd omdat de maatschap voldoende gelegenheid had gehad haar standpunten te uiten.
Het College bevestigde dat het verzoek van de maatschap kwalificeert als een herzieningsverzoek en dat het eerdere besluit formele rechtskracht heeft. Omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd, was de afwijzing van het herzieningsverzoek houdbaar. Het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige besluitvorming werd afgewezen omdat het afwijzingsbesluit niet onrechtmatig was.
Het beroep werd ongegrond verklaard, de minister werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht, maar niet tot proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door voorzitter R.C. Stam op 7 april 2026.
Uitkomst: Het beroep van de maatschap tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek fosfaatrechten wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.