Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2022:520

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
9 augustus 2022
Publicatiedatum
4 augustus 2022
Zaaknummer
21/945
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6 EVRMArt. 7:1 AwbArt. 7:2 AwbArt. 7:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar I&R-registratie mestvee

Appellante verzocht de minister van Landbouw om correctie van de I&R-registratie van 25 stuks jongvee op haar bedrijf per 2 juli 2015. De minister wees dit verzoek af omdat de dieren terecht op het UBN van een derde stonden geregistreerd. Appellante maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd door de minister kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief van afwijzing geen besluit in de zin van de Awb zou zijn.

In beroep betoogde appellante dat het bestreden besluit door een onbevoegd persoon was genomen, dat zij onterecht geen gelegenheid kreeg om gronden in te dienen en dat haar recht op een eerlijk proces was geschonden. Tevens verzocht zij om herstel van de registratie en om schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen.

Het College oordeelde dat de weigering tot herstel van de I&R-registratie geen besluit is in de zin van de Awb omdat het geen wijziging in haar rechtspositie tot gevolg heeft. Daarom was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Er was geen sprake van onbevoegdheid of schending van het recht op een eerlijk proces. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat geen onrechtmatigheid was vastgesteld.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 21/945

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 augustus 2022 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te [woonplaats] , appellante

(gemachtigde: [naam 2] ),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. S.F. Somer en mr. M. Leegsma).

Procesverloop

Bij brief van 19 maart 2021 heeft verweerder het verzoek van appellante om aanpassing van haar dieraantallen in het Identificatie- en Registratiesysteem (I&R-systeem) afgewezen.
Bij besluit van 12 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de beslissing van 19 maart 2021 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2022. Namens appellante zijn verschenen [naam 3] en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1
Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.2
Bij brief van 4 december 2020 heeft appellante verweerder verzocht om het aantal geregistreerde dieren op de peildatum 2 juli 2015 op UBN [nummer] te verhogen met 25 stuks jongvee. Volgens appellante staan er 25 stuks jongvee ten onrechte in het I&R-systeem op het bedrijf van [naam 4] geregistreerd.
1.3
Bij brief van 19 maart 2021 heeft verweerder het verzoek van appellante om aanpassing van de I&R-registratie afgewezen. Volgens verweerder stonden de 25 stuks jongvee op 2 juli 2015 terecht geregistreerd op het UBN van [naam 4] en was [naam 4] ook de feitelijke houder van het jongvee. Dit blijkt ook uit de uitspraak van het College van 6 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:669) waarin door het College is overwogen dat [naam 4] als houder van de dieren dient te worden aangemerkt.
1.4
Appellante heeft tegen de brief van 19 maart 2021 bezwaar gemaakt.
2. Bij het bestreden besluit van 12 augustus 2021 heeft verweerder het bezwaar van appellante kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hij geen besluit heeft genomen waartegen appellante bezwaar kon maken. De brief van 19 maart 2021 betreft geen handeling waarmee een rechtsgevolg is beoogd als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. In beroep voert appellante aan dat het bestreden besluit is genomen door een daartoe onbevoegd persoon, dat haar ten onrechte de mogelijkheid is ontnomen om gronden in te dienen en dat daarom het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:2 van Pro de Awb en het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM. Appellante verzoekt het College zelf in de zaak te voorzien en de I&R-registratie te herstellen, met dien verstande dat de op 2 juli 2015 bij [naam 4] uitgeschaarde 25 stuks jongvee worden geregistreerd op het UBN van appellante. Tot slot verzoekt appellante om schadevergoeding vanwege onrechtmatig handelen door verweerder.
4. Verweerder stelt zicht op het standpunt dat hij het bezwaar van appellante tegen de beslissing van 19 maart 2021 terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 19 maart 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:181) voert verweerder aan dat een mededeling over de I&R-registratie geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Met de mededeling over de I&R-registratie wordt immers geen rechtsgevolg beoogd. Nu geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, van de Awb, behoeft de beroepsgrond van appellante geen inhoudelijke bespreking.
Beoordeling
5.1
Het College dient te beoordelen of verweerder het bezwaar van appellante tegen de beslissing van 19 maart 2021 terecht nietontvankelijk heeft verklaard. Artikel 8:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een belanghebbende tegen een besluit beroep in kan stellen bij de bestuursrechter. Op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb moet degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen bezwaar maken voordat hij beroep instelt. Hieruit volgt dat er slechts ontvankelijk bezwaar kan worden gemaakt tegen een besluit in de zin van de Awb. Uit artikel 7:11, eerste lid, van de Awb volgt dat alleen op grond van een ontvankelijk bezwaar een inhoudelijke heroverweging kan plaatsvinden. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Dit betekent dat de schriftelijke beslissing van het bestuursorgaan de bedoeling moet hebben om een bepaald rechtsgevolg – dat wil zeggen een wijziging in de rechtspositie van een betrokkene – tot stand te brengen.
5.2
Het College is met verweerder van oordeel dat de weigering van verweerder om de I&R-registratie te herstellen, met dien verstande dat de op 2 juli 2015 uitgeschaarde 25 stuks jongvee, worden geregistreerd op het UBN van appellante, geen besluit is in de zin van de Awb omdat die beslissing geen wijziging brengt in de rechtspositie van appellante. In dit verband verwijst het College onder meer naar de uitspraak van het College van 17 maart 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:181). Het College is dan ook van oordeel dat verweerder het bezwaar tegen de brief van 19 maart 2020 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
5.3
Met betrekking tot hetgeen door appellante is aangevoerd merkt het College op dat niet is gebleken dat de bestreden beslissing is genomen in strijd met artikel 7 van Pro het Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor de Rijksdienst voor Ondernemend […] van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2019. Ook is niet gebleken dat sprake is van schending van artikel 7:2 van Pro de Awb en artikel 6 van Pro het EVRM.
5.4
Ten aanzien van appellantes verzoek om schadevergoeding vanwege het gestelde onrechtmatige handelen van verweerder overweegt het College als volgt. In artikel 6:162 en Pro 6:163 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zijn de cumulatieve eisen genoemd waaraan voldaan moet worden om een recht op vergoeding van schade te kunnen hebben. Om voor schadevergoeding in aanmerking te komen is één van de vereisten dat sprake is van een onrechtmatigheid. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ligt er geen onrechtmatig besluit ten grondslag aan appellantes verzoek om schadevergoeding. Omdat in onderhavig geval geen sprake is van onrechtmatigheid, wordt niet voldaan aan de cumulatieve vereisten uit artikel 6:162 van Pro het BW. Het verzoek komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.
Slotsom
6.1
Het College wijst het verzoek om schadevergoeding af en verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
6.2
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2022.
De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.