Appellante verzocht de minister van Landbouw om correctie van de I&R-registratie van 25 stuks jongvee op haar bedrijf per 2 juli 2015. De minister wees dit verzoek af omdat de dieren terecht op het UBN van een derde stonden geregistreerd. Appellante maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd door de minister kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief van afwijzing geen besluit in de zin van de Awb zou zijn.
In beroep betoogde appellante dat het bestreden besluit door een onbevoegd persoon was genomen, dat zij onterecht geen gelegenheid kreeg om gronden in te dienen en dat haar recht op een eerlijk proces was geschonden. Tevens verzocht zij om herstel van de registratie en om schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen.
Het College oordeelde dat de weigering tot herstel van de I&R-registratie geen besluit is in de zin van de Awb omdat het geen wijziging in haar rechtspositie tot gevolg heeft. Daarom was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Er was geen sprake van onbevoegdheid of schending van het recht op een eerlijk proces. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat geen onrechtmatigheid was vastgesteld.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.