De onderneming heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van het College van 6 augustus 2024, waarin haar beroep tegen de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen het subsidiebesluit vaste lasten COVID-19 ongegrond werd verklaard.
De onderneming stelde dat het bezwaar wel ontvankelijk was omdat het notificatiebericht van de minister onjuist was geadresseerd en in de spambox was beland, waardoor zij niet tijdig kennis kon nemen van het besluit. Tevens voerde zij aan dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met de bijzondere omstandigheden van de onderneming en dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was.
Het College oordeelde dat het besluit correct digitaal bekend was gemaakt en dat het bezwaarschrift te laat was ingediend. De onderneming moest rekening houden met het risico van berichten in de spambox en had zelf het portaal moeten raadplegen. De omvang van de termijnoverschrijding en het ontbreken van derdenbelangen waren niet voldoende om de overschrijding te verontschuldigen.
Daarom werd het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en het verzet ongegrond. De zaak is daarmee definitief afgesloten zonder inhoudelijke behandeling van het beroep.