De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) constateerde tijdens een controle dat een vennootschap cosmetische producten verkocht met verboden stoffen hydrochinon en betamethasone dipropionate. De staatssecretaris legde hiervoor vijf boetes van in totaal €2.625,- op. De vennootschap maakte bezwaar en de rechtbank Rotterdam matigde de boetes met 50%, vanwege normale verwijtbaarheid en het ontbreken van opzet.
De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze matiging en stelde dat de boetes terecht waren opgelegd en dat de vennootschap verantwoordelijk is voor de naleving van de wet- en regelgeving. De vennootschap voerde onder meer aan dat de coronacrisis bijzondere omstandigheden vormde en dat de stoffen niet levensbedreigend zijn.
Het College oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de boetes had gematigd. Er was geen sprake van bijzondere omstandigheden die matiging rechtvaardigen en de vennootschap had onvoldoende onderbouwd dat haar financiële situatie matiging rechtvaardigde. De boetes zijn passend en geboden gelet op de ernst van de overtredingen en de mate van verwijtbaarheid.
Het hoger beroep van de staatssecretaris slaagde, het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van de vennootschap ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het griffierecht werd kwijtgescholden.