ECLI:NL:CBB:2024:864
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen subsidie vaststelling TVL Q3 2021 ongegrond verklaard
De minister van Economische Zaken stelde bij besluit van 23 februari 2024 de subsidie voor het derde kwartaal van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vast op €275.222,52 en vorderde het betaalde voorschot van €59.632,60 terug. De onderneming maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de minister op 25 maart 2024 ongegrond werd verklaard. Hiertegen stelde de onderneming beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
De onderneming voerde aan dat de minister ten onrechte geen rekening had gehouden met de omzetcijfers uit de samenstellingsverklaring van de accountant bij de berekening van het omzetverlies. Volgens de onderneming vloeien de suppletieaangiften die de omzet betreffen direct voort uit deze samenstellingsverklaring, en zou het verschil tussen de bedragen slechts fiscale aspecten betreffen.
Het College oordeelde dat de minister terecht is uitgegaan van de omzetgegevens die bij de Belastingdienst bekend zijn, inclusief de suppletieaangiften, omdat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest om de TVL uitvoerbaar te houden en administratieve lasten te beperken. Dit oordeel is in lijn met eerdere uitspraken van het College. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
De uitspraak werd gedaan zonder zitting op 3 december 2024 door de enkelvoudige kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven, met mr. R.W.L. Koopmans als voorzitter.
Uitkomst: Het beroep van de onderneming tegen het besluit over de TVL-subsidie Q3 2021 wordt ongegrond verklaard.