Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , te [plaats] (onderneming)
de minister van Economische Zaken
:mr. S.M. Piron en mr. T. Khidous)
College van Beroep voor het bedrijfsleven
De onderneming heeft subsidie aangevraagd op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020. De minister stelde de subsidie vast op € 0,- en vorderde het betaalde voorschot terug, omdat volgens hem het vereiste omzetverlies van ten minste 30% niet was behaald. De onderneming betwistte dit en stelde dat de minister onjuiste omzetgegevens had gebruikt, mede omdat een suppletieaangifte over Q4 2020 met een lagere omzet was ingediend.
De minister hield vast aan de oorspronkelijk ingediende omzetbelastingaangifte en wees de suppletieaangifte af vanwege onduidelijkheid over de kwartaalverdeling van de omzet in de jaarsuppletie. Het College oordeelde dat op grond van artikel 2.1.2, vijfde lid, van de TVL de omzet moet worden gebaseerd op de omzetbelastingaangifte, inclusief suppletieaangiften, zolang de Belastingdienst deze niet corrigeert.
Het College stelde vast dat de minister ten onrechte voorbijging aan de suppletieaangifte over Q4 2020 en vernietigde het bestreden besluit. De minister werd opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van de onderneming.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de suppletieaangifte over Q4 2020.