ECLI:NL:CBB:2024:830
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 derde kwartaal 2021
De ondernemer stelde dat de minister onjuist was uitgegaan van de omzet in de aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal van 2021, omdat een deel van de omzet feitelijk betrekking had op het tweede kwartaal. De minister gebruikte echter de omzetgegevens uit de aangiften omzetbelasting, wat volgens het College een bewuste keuze van de regelgever is om de uitvoerbaarheid en administratieve lasten van de TVL-regeling te beperken.
De ondernemer voerde tevens een beroep in verband met het vertrouwensbeginsel, omdat hem was toegezegd dat grootboekkaarten mochten worden overgelegd. Het College oordeelde dat deze toezegging niet inhield dat de minister zou afwijken van de wettelijke bepalingen omtrent omzetvaststelling en dat geen sprake was van een toezegging die het bestuursorgaan bindt.
Verder werd betoogd dat proceskosten in bezwaar ten onrechte niet waren toegekend, omdat het bezwaar deels gegrond was verklaard. Het College stelde dat voor vergoeding van proceskosten een herroeping wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid vereist is, wat hier niet het geval was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van het vaststellingsbesluit en de toegepaste methodiek voor omzetbepaling.
Uitkomst: Het beroep van de ondernemer tegen het vaststellingsbesluit TVL Q3 2021 wordt ongegrond verklaard.