ECLI:NL:CBB:2022:306

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
14 juni 2022
Publicatiedatum
10 juni 2022
Zaaknummer
21/1292
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:46 AwbArt. 2.1.1 TVLArt. 2.1.2 TVL
Verwijzingen
6 uitgaand · 20 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vaststelling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 over Q4 2020

De minister van Economische Zaken en Klimaat heeft aan een BV een subsidie verleend op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020. Na aanvraag van vaststelling heeft de minister de subsidie vastgesteld op nihil omdat niet is voldaan aan de voorwaarde van minimaal 30% omzetverlies. De BV betwist deze vaststelling en stelt dat haar werkelijke omzet lager was dan uit de aangifte omzetbelasting blijkt vanwege facturering in oktober 2020 van opdrachten uit september 2020.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft het beroep behandeld en oordeelt dat de minister terecht is uitgegaan van de omzetgegevens zoals geregistreerd bij de Belastingdienst in de aangiften omzetbelasting. De systematiek van de TVL-regeling schrijft voor dat de omzet wordt bepaald aan de hand van deze aangiften, mede om uitvoerbaarheid en administratieve lasten te beperken. De door de BV overgelegde stukken worden niet meegenomen omdat de uitzondering daarop niet van toepassing is.

Het College concludeert dat de minister terecht heeft vastgesteld dat er geen sprake is van het vereiste omzetverlies van 30% en dat de subsidie daarom op nul is vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van de BV wordt ongegrond verklaard en de subsidie wordt terecht op nihil vastgesteld wegens onvoldoende omzetverlies.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 21/1292

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juni 2022 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [woonplaats] , de BV,

(vertegenwoordigd door: [naam 2] en [naam 3] )
en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, de minister

(gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes en mr. drs. P.J. Kooiman).

Inleiding en samenvatting

De minister heeft op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) een subsidie aan de BV verleend voor het vierde kwartaal (Q4) 2020 van € 14.356,83. Vervolgens heeft de BV vaststelling van de subsidie aangevraagd. De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 0,- en bepaald dat de BV het reeds ontvangen voorschot van
€ 11.485,47 moet terugbetalen, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat er sprake moet zijn van ten minste 30% omzetverlies. De BV is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Het College heeft het beroep behandeld op de zitting van 4 mei 2022.
Het College komt tot het oordeel dat de minister de subsidie terecht op € 0,- heeft vastgesteld. Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat er geen sprake is van ten minste 30% omzetverlies en de minister mocht van die gegevens uitgaan. Hieronder licht het College zijn oordeel toe.

Het wettelijk kader dat van toepassing is

1.1
Uitgangspunt bij de vaststelling van een subsidie is dat het bestuursorgaan deze overeenkomstig de subsidieverlening vaststelt. De subsidie kan ook lager vastgesteld worden (artikel 4:46, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).
1.2
Subsidie wordt alleen verstrekt aan ondernemingen die ten minste 30% omzetverlies hebben geleden (artikel 2.1.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de TVL). Het omzetverlies wordt berekend door het verschil tussen de omzet in de referentieperiode en de omzet in de subsidieperiode te bepalen en deze te delen door de omzet in de referentieperiode. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt in procenten. De subsidieperiode is Q4 2020 en de referentieperiode is Q4 2019 (artikel 2.1.2, eerste, tweede en vierde lid, van de TVL).
1.3
Uit artikel 2.1.2, vijfde lid, van de TVL volgt dat voor de bepaling van de omzet wordt gekeken naar de opgegeven omzet in de aangiften omzetbelasting.

Inhoudelijke beoordeling

2. De BV betoogt dat haar werkelijke omzet in Q4 2020 lager was dan uit de aangifte omzetbelasting blijkt. In oktober 2020 heeft zij € 23.510,- gefactureerd voor opdrachten uit september 2020. Deze omzet is daardoor in de aangifte over oktober terecht gekomen, terwijl het bedrijfsactiviteiten uit september betreft. De BV stelt dat de minister ten onrechte alleen naar de aangifte kijkt om vast te stellen wat de omzet in Q4 2020 was en ook rekening had moeten houden met de door haar overgelegde stukken.
3. Het College volgt het betoog van de BV niet en is van oordeel dat de minister uit mocht gaan van de omzet zoals die blijkt uit de aangiften omzetbelasting. Het College wijst daarbij op het volgende.
3.1
De regelgever heeft er, in verband met de uitvoerbaarheid en de beperking van de administratieve lasten, voor gekozen de aangifte omzetbelasting te gebruiken voor het bepalen van de omzet. Het College heeft in de uitspraak van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5) al geoordeeld dat dit geen onredelijk uitgangspunt is. Er staat wel een uitzondering op dit uitgangspunt in artikel 2.1.2, zesde lid, van de TVL, maar die is hier niet van toepassing. Dit betekent dat de minister terecht is uitgegaan van de gegevens van de Belastingdienst. Er bestond geen aanleiding om (ook) rekening te houden met de door de BV overgelegde stukken over de omzet die volgens de BV bij september 2020 hoort. Hoewel het College begrip heeft voor het standpunt van de BV, past dit niet binnen de voor de TVL gekozen systematiek. De minister heeft dus terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van 30% omzetverlies en kon de subsidie daarom op € 0,- vaststellen.
4. De conclusie is dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, mr. J.H. de Wildt en mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2022.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A.A. Dijk