ECLI:NL:CBB:2023:290
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking subsidie vaste lasten financiering COVID-19 vanwege onjuist omzetverlies
De onderneming had een subsidie aangevraagd op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020. De minister verleende een voorlopige subsidie, maar trok deze later in omdat uit de omzetbelastingaangiften bleek dat er geen sprake was van het vereiste omzetverlies van ten minste 30%. De onderneming voerde aan dat de post 'onderhanden werk' uit de winst- en verliesrekening van Q4 2019 ten onrechte niet was meegenomen bij de omzetberekening en beriep zich op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel.
Het College oordeelde dat de minister terecht uitging van de omzetgegevens uit de aangiften omzetbelasting, conform de systematiek van de TVL-regeling. De post 'onderhanden werk' was volgens de minister en het College niet toe te rekenen aan Q4 2019 omdat de facturering in 2020 plaatsvond. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de subsidieverlening een voorlopige toekenning betrof, die expliciet kon worden aangepast. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat andere regelingen een andere systematiek hanteren en de TVL bewust kiest voor omzetbelastingaangiften als uitgangspunt.
De intrekking van de subsidie werd daarom bevestigd en het beroep van de onderneming ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de onderneming tegen de intrekking van de TVL-subsidie wordt ongegrond verklaard.