De zaak betreft een beroep van een ondernemer tegen het besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat over de vaststelling van de subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020.
De ondernemer stelde dat de verkoop van een bedrijfsauto, die zij had meegenomen als omzet in haar aangifte omzetbelasting, niet als omzet in het kader van de TVL-subsidie mocht worden beschouwd. Zij verwees naar het jaarrekeningenrecht en andere steunmaatregelen zoals de NOW, waarin een ander omzetbegrip wordt gehanteerd dat alleen reguliere omzet uit bedrijfsactiviteiten omvat. Tevens voerde zij aan dat de informatie op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) haar het vertrouwen had gegeven dat zij op basis van haar eigen financiële administratie mocht afwijken van de aangifte omzetbelasting.
De minister stelde dat de omzet in de TVL-regeling wordt bepaald op basis van de omzetbelastingaangifte, conform artikel 2.1.2, vijfde lid, van de regeling, en dat de verkoop van de bedrijfsauto daar terecht in was meegenomen. Het College oordeelde dat de gekozen systematiek van de regeling het uitgangspunt is en dat de ondernemer niet onder de uitzondering valt voor ondernemingen die niet over hun gehele omzet omzetbelasting betalen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat de informatie op de RVO-website geen toezegging inhield om af te wijken van de wettelijke regels. Ook de omstandigheden van de ondernemer, waaronder de verkoop van de auto om de lasten te verlagen, waren onvoldoende zwaarwegend om af te wijken van de regeling.
Het College verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat de subsidie terecht was vastgesteld op basis van de omzetgegevens uit de aangifte omzetbelasting, inclusief de verkoop van de bedrijfsauto.