Appellant, exploitant van een sportschool met vier vestigingen sinds februari 2020, vroeg subsidie aan op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2021. Verweerder kende aanvankelijk subsidie toe op basis van een algemene SBI-code, maar stelde later vast dat appellant niet voldeed aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies en dat hij niet als starter kon worden aangemerkt.
Appellant voerde aan dat de referentieperiode voor het berekenen van het omzetverlies niet de standaardperiode uit 2019 moest zijn, maar moest worden aangepast aan de startdatum van zijn vierde vestiging in februari 2020. Tevens beriep hij zich op het evenredigheidsbeginsel en stelde dat maatwerk noodzakelijk was vanwege de schrijnende situatie door de coronamaatregelen.
Het College oordeelde dat appellant sinds begin 2019 actief was met twee vestigingen en dat de uitbreiding met een vierde vestiging geen nieuwe bedrijfsactiviteit betrof, maar een uitbreiding. Hierdoor kwalificeerde appellant niet als starter in de zin van de TVL. De standaard referentieperiode bleef van toepassing. Omdat appellant geen omzetverlies van ten minste 30% had geleden in deze periode, was hij niet subsidiabel. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.