Appellante, een onderneming actief in paardensport en verhuur van onroerend goed, vroeg een tegemoetkoming op grond van de TOGS-regeling vanwege omzetverlies door COVID-19 maatregelen. De aanvraag werd afgewezen omdat de SBI-code waaronder zij geregistreerd stond in het handelsregister op 15 maart 2020 niet overeenkwam met de in de regeling toegestane codes. Een latere melding van een niet-aansluitende SBI-code door een gelieerde stichting werd niet in behandeling genomen.
Het College oordeelde dat de TOGS een buitenwettelijk begunstigend beleid is dat terughoudend wordt getoetst en dat de afwijzing terecht was omdat de regeling vereist dat ondernemingen op de peildatum correct geregistreerd staan met een SBI-code uit de bijlage. De feitelijke activiteiten van appellante waren niet doorslaggevend. De maatwerkprocedure voor onjuiste SBI-registraties was gevolgd, maar gaf geen aanleiding tot toekenning.
Het College erkende dat de regeling kan leiden tot onbevredigende uitkomsten voor ondernemingen die feitelijk wel getroffen zijn, maar niet correct geregistreerd stonden. Toch blijft het vasthouden aan de registratie op 15 maart 2020 noodzakelijk om fraude tegen te gaan en snel te kunnen beslissen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.