ECLI:NL:CBB:2021:415
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrechtenstelsel en toekenning immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellant, een veehouder met een jongvee opfokbedrijf, stelde dat het fosfaatrechtenstelsel onrechtvaardig was omdat het uitging van één peildatum waarop hij geen dieren had, terwijl hij daarvoor wel jongvee hield. Hij voerde aan dat de knelgevallenregeling onjuist was toegepast en dat het stelsel een individuele en buitensporige last voor hem vormde.
Verweerder stelde dat het stelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en dat de knelgevallenregeling correct was toegepast. Het beëindigen van de opfokovereenkomst werd niet als bijzondere omstandigheid erkend.
Het College oordeelde dat het fosfaatrechtenstelsel verenigbaar is met artikel 1 EP Pro en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de knelgevallenregeling onjuist was toegepast. Ook was geen sprake van een individuele en buitensporige last. Wel werd vastgesteld dat de bezwaar- en beroepsprocedure de redelijke termijn overschreed, waardoor appellant recht had op een immateriële schadevergoeding van €1000,-, verdeeld tussen verweerder en de Staat.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden verdeeld tussen verweerder en de Staat.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en verweerder en de Staat worden veroordeeld tot betaling van immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.