Appellante, een erkend intermediair en transportbedrijf, kreeg een boete opgelegd wegens het niet tijdig, niet volledig of niet naar waarheid melden van geëxporteerde vrachten dierlijke meststoffen in mei 2017. De minister legde een boete van €400,- op, gebaseerd op twee overtredingen waarbij meldingen niet onverwijld werden ingetrokken.
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit, dat door de rechtbank werd afgewezen. In hoger beroep voerde appellante procedurele bezwaren aan, zoals het ontbreken van een rapport voorafgaand aan de boete, het niet tijdig toezenden van het verslag van de hoorzitting, en het laat ontvangen van het dossier. Ook stelde zij dat het primaire besluit ondeugdelijk was gemotiveerd en dat de boete gematigd had moeten worden wegens overschrijding van de beslistermijn.
Het College oordeelde dat geen rapport hoefde te worden opgemaakt omdat de boete per overtreding lager was dan €340,- en dat appellante niet in de gelegenheid hoefde te worden gesteld een zienswijze naar voren te brengen. Het later toezenden van het hoorzittingsverslag en dossier was niet in strijd met enige rechtsregel en leidde niet tot schending van hoor en wederhoor. De motivering van het besluit was voldoende, mede door de beslissing op bezwaar. Matiging van de boete wegens overschrijding van de beslistermijn was niet aan de orde omdat geen rapport was opgemaakt. De redelijke termijn was niet overschreden.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.