Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2021 in de zaak tussen
[naam 1], appellant en
[naam 2], appellante, te [plaats 1] , tezamen te noemen appellanten (gemachtigde: mr. N. Bouwman),
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellanten, een maatschap die een melkveehouderij exploiteert, voerden beroep aan tegen het besluit van de minister van Landbouw waarin hun fosfaatrecht werd vastgesteld op basis van de dieraantallen op 2 juli 2015. Zij stelden dat het fosfaatrechtenstelsel hun eigendomsrecht schaadt en dat er sprake is van een individuele en buitensporige last.
Het College overwoog dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Verder werd beoordeeld of de last voor appellanten buitensporig is. Daarbij werd meegewogen dat appellanten op de peildatum niet beschikten over alle benodigde vergunningen voor de uitbreiding en dat zij met investeringen vooruitliepen op het verkrijgen daarvan.
Het College concludeerde dat de investeringsrisico's voor rekening van de ondernemer komen en dat het financiële nadeel niet automatisch een individuele en buitensporige last vormt. Ook werd gewezen op het belang van milieubescherming en het voldoen aan de Nitraatrichtlijn. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellanten tegen het fosfaatrechtenstelsel wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een individuele en buitensporige last.