Appellante, een melkveehouderij, stelde beroep in tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin haar fosfaatrecht werd vastgesteld en bezwaar ongegrond werd verklaard. Zij voerde aan dat het fosfaatrechtenstelsel ongeoorloofde staatssteun oplevert, dat ten onrechte een generieke korting werd toegepast ondanks een vrijstelling, dat de knelgevallenregeling onjuist werd toegepast en dat het stelsel een individuele en buitensporige last voor haar vormt.
Het College oordeelt dat het fosfaatrechtenstelsel een wettelijke maatregel is die milieudoelstellingen dient en niet in strijd is met het EU-recht inzake staatssteun. De generieke korting is terecht toegepast omdat appellante geen grondgebonden bedrijf is. De knelgevallenregeling is correct toegepast door uit te gaan van de dieraantallen op de datum van de bijzondere omstandigheid. Appellante heeft onvoldoende onderbouwd dat het stelsel een individuele en buitensporige last oplevert.
Wel erkent het College dat bij de vaststelling van het fosfaatrecht drie dieren ten onrechte niet zijn meegeteld. Daarom vernietigt het College het bestreden besluit en herroept het het primaire besluit, stelt het fosfaatrecht vast op 18.453 kg en veroordeelt de minister in de proceskosten. Vergoeding van deskundigenkosten wordt afgewezen wegens onvoldoende specificatie.