ECLI:NL:CBB:2020:1002
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep op knelgevallenregeling fosfaatrechten en eigendomsrecht
Appellante exploiteert een melkveebedrijf en heeft in 2010 besloten haar varkenshouderij af te stoten en het melkveebedrijf uit te breiden naar 222 melk- en kalfkoeien. Door diergezondheidsproblemen en andere omstandigheden was deze groei op de peildatum 2 juli 2015 nog niet volledig gerealiseerd. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van de situatie op die peildatum en wees het beroep op de knelgevallenregeling af omdat de 5%-drempel niet werd gehaald.
Appellante voerde aan dat het fosfaatrechtenstelsel een onrechtmatige inbreuk op haar eigendomsrecht vormt en dat de knelgevallenregeling ten onrechte niet is toegepast. Zij stelde dat de diergezondheidsproblemen de groei hebben vertraagd en dat verweerder had moeten onderzoeken of andere peildata tot een gunstiger resultaat hadden geleid.
Het College overwoog dat de peildatum 2 juli 2015 leidend is en dat slechts één alternatieve peildatum kan worden aangewezen, wat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt. Verder oordeelde het College dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met het eigendomsrecht en dat het verlies door het stelsel niet automatisch een individuele en buitensporige last vormt. De investeringsbeslissingen van appellante waren ondernemersbeslissingen met inherente risico's, die zij zelf moest dragen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.