Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft geschillen over besluiten van de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit inzake randvoorwaardenkorting en bedrijfstoeslag voor het jaar 2011. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven behandelt vier clusters van besluiten, waaronder de vaststelling van een randvoorwaardenkorting van 55%, een herberekening van de bedrijfstoeslag, facturen tot terugbetaling en de vaststelling en verrekening van wettelijke rente.
Na beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie, beoordeelt het College onder meer de motivering van de kortingspercentages, de hoorplicht in bezwaarprocedures en de rechtmatigheid van terugvorderingen. Het College oordeelt dat het optellen van kortingen in overeenstemming is met het EU-arrest en dat de randvoorwaardenkorting van 55% evenredig is. Tevens wordt geoordeeld dat de hoorplicht niet is geschonden bij het besluit van 18 september 2014, maar wel bij het besluit van 23 september 2014, zonder dat dit leidt tot vernietiging vanwege het ontbreken van benadeling.
Verder wordt vastgesteld dat de terugvordering niet het gevolg is van een fout van de overheid en dat de beroepen tegen sommige besluiten niet-ontvankelijk zijn wegens gebrek aan belang. Ten slotte wordt een schadevergoeding van € 2.000,- toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, en worden proceskosten en griffierechten aan appellanten toegekend. De beroepen worden deels niet-ontvankelijk verklaard en deels ongegrond.