De zaak betreft een hoger beroep van de minister van Economische Zaken tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam die het bezwaar van eiser tegen een besluit van de minister gegrond verklaarde. Eiser had een handhavingsverzoek ingediend tegen exploitanten van FM-frequentiekavels, stellende dat zij niet voldeden aan de regiogerichtheidseis. De minister verklaarde het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk, waarna de rechtbank dit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen.
Na heroverweging wees de minister het handhavingsverzoek af, waarbij hij stelde dat eiser geen belanghebbende was omdat hij geen vergunning voor FM-frequenties had en geen rechtspersoon was, wat een vereiste is voor deelname aan frequentieveilingen. De rechtbank oordeelde echter dat eiser wel een voldoende rechtstreeks belang had vanwege zijn concrete plannen en activiteiten op de AM-band en zijn potentieel als concurrent.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven stelde in hoger beroep dat eiser geen belanghebbende is omdat hij geen rechtspersoon is en daardoor niet rechtstreeks in concurrentie kan treden met de vergunninghouders van de FM-kavels. Het College benadrukte dat de minister bevoegd is om deelname aan frequentieveilingen te beperken tot rechtspersonen en dat de bereidheid van eiser om een rechtspersoon op te richten dit niet verandert.
Het College vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van de minister ongegrond en vernietigde het bestreden besluit van 26 januari 2017. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.