Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] , te [plaats] , appellant
(gemachtigde: [naam 2] ),
de minister van Economische Zaken(de minister),
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellant werd door de minister van Economische Zaken een bestuurlijke boete van €7.500 opgelegd wegens illegale FM-uitzending zonder vergunning, met gebruik van een verrijdbare antenne-installatie en poging tot verhulling van de uitzending. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en kwalificeerde appellant als functioneel dader vanwege zijn kennis van de illegale activiteiten van zijn zoon en diens vrienden, ondanks waarschuwingen.
In hoger beroep ontkende appellant de ontvangst van een waarschuwingsbrief van 15 mei 2012, maar het College oordeelde dat hij deze brief wel degelijk had ontvangen en bevestigde de rechtbankuitspraak. De minister kon de ontvangst aannemelijk maken zonder gebruik te maken van postregistratiesystemen. De boete werd echter als te hoog beoordeeld, omdat de verdere verhoging niet aan appellant als functioneel dader kon worden toegerekend.
Het College stelde de boete vast op €5.000, passend bij de ernst van de overtreding en de poging tot verhulling. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van appellant, waaronder reiskosten en forfaitaire verletkosten, en tot terugbetaling van het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan door het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 11 januari 2016.
Uitkomst: Boete verlaagd naar €5.000 en minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.