Appellante kreeg een bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van de Meststoffenwet in 2011. Zij voerde in hoger beroep aan dat bepaalde percelen wel tot haar bedrijf behoorden, dat de bemonstering van mest onbetrouwbaar was, dat zij niet de afnemer was van bepaalde mestvrachten, en dat de redelijke termijn was overschreden.
Het College oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat de percelen Q274 en Q300 tot haar bedrijf behoorden, mede omdat deze percelen door een ander waren opgegeven en geen geldige juridische titel was aangetoond. De bezwaren tegen de bemonstering faalden omdat de voorschriften ten tijde van de monsters nog niet golden en de analyses betrouwbaar waren. Ook het betoog dat zij niet de afnemer was van mestvrachten werd verworpen.
De redelijke termijn was met ruim een maand overschreden, maar een eerdere matiging van de boete met 10% was voldoende. Wel werd het hoger beroep gegrond verklaard voor het verzoek om proceskostenvergoeding in bezwaar, omdat de rechtbank ten onrechte dit verzoek had afgewezen. Het College veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten.