ECLI:NL:CBB:2006:AZ2214
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid College van Beroep voor het Bedrijfsleven bij ingetrokken beroep in bestuursrechtelijke procedure
In deze bestuursrechtelijke procedure hebben appellanten hoger beroep ingesteld tegen besluiten van De Nederlandsche Bank (DNB) en de rechtbank Rotterdam. Na benoeming van een bewindvoerder en het intrekken van de beroepschriften door deze bewindvoerder, betwistten appellanten de geldigheid van deze intrekking en dienden zij klachten in bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB).
Het CBB moest beoordelen of het bevoegd was kennis te nemen van het hoger beroep. De kernvraag was of hoger beroep mogelijk is tegen een brief van de rechtbank waarin het beroep als ingetrokken wordt beschouwd, terwijl geen formele uitspraak van de rechtbank is gedaan.
Het College oordeelde dat hoger beroep uitsluitend mogelijk is tegen een uitspraak van de rechtbank zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat in deze zaak geen uitspraak van de rechtbank was gedaan, maar slechts een brief waarin het beroep als ingetrokken werd beschouwd, was het College onbevoegd om het hoger beroep te behandelen.
Het College verwees naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en bepaalde dat het aan de rechtbank is om alsnog een formele uitspraak te doen. Het griffierecht werd aan appellanten terugbetaald en de zaken werden teruggezonden aan de rechtbank Rotterdam.
Uitkomst: Het College verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en zendt de zaken terug aan de rechtbank.