ECLI:NL:RVS:2025:5943
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- M. Soffers
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen onrechtmatige bewaring wegens te late omzetting maatregel
De minister stelde betrokkene in bewaring op grond van twee verschillende wettelijke bepalingen, waarbij de eerste maatregel te laat werd omgezet in de tweede maatregel. De rechtbank oordeelde dat deze te late omzetting een ernstige schending van het recht op vrijheid betekende, waardoor ook de tweede maatregel onrechtmatig was. De minister ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde het vaste rechtspraakprincipe dat de onrechtmatigheid van een eerdere maatregel niet automatisch de opvolgende maatregel onrechtmatig maakt, tenzij sprake is van een ernstige schending van het recht op vrijheid. De Afdeling concludeerde dat de korte periode van drie dagen onrechtmatige bewaring geen ernstige schending opleverde en dat de tweede maatregel daarom rechtmatig was.
Verder oordeelde de Afdeling dat de minister voortvarend had gehandeld in het uitzettingsproces en wees het verzoek om schadevergoeding af. Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van betrokkene tegen de tweede maatregel wordt ongegrond verklaard.