ECLI:NL:RBDHA:2026:15709

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL26.29655
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.R. van der Winkel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 5 Terugkeerrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring ondanks belangen kinderen

De minister van Asiel en Migratie legde op 23 mei 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 4 juni 2026.

Eiser voerde aan dat de eerdere maatregel van bewaring onrechtmatig was en dat de schottentheorie doorbroken moest worden, zodat de eerdere onrechtmatigheid doorwerkte in de huidige maatregel. De rechtbank oordeelde dat de eerdere onrechtmatigheid niet doorwerkt, omdat er geen ernstige schending van fundamentele rechten of opeenstapeling van gebreken was. De minister had de eerdere maatregel bovendien tijdig opgeheven en een nieuwe maatregel op een juiste grondslag genomen.

De minister motiveerde de bewaring met het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken. Eiser betwistte de gronden niet, maar verzocht om in vrijheid te mogen verblijven om zijn terugkeer naar Zimbabwe voor te bereiden en contact met zijn kinderen te herstellen. De rechtbank oordeelde dat de belangen van de kinderen en eiser voldoende waren meegewogen en dat het ontbreken van contact tussen eiser en zijn kinderen al jaren bestond, ongeacht de bewaring.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29655

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Ochieng. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser stelt van Zimbabwaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1981.
Doorwerking vorige maatregel van bewaring in deze maatregel van bewaring
Eiser stelt – samengevat – dat de vorige maatregel van bewaring ten onrechte is opgelegd, omdat de minister van meet af aan wist of kon weten dat eiser geen asielaanvraag wilde indienen. Eiser wil verblijf bij zijn kinderen, dus een aanvraag indienen voor een verblijfsvergunning op basis van EU-recht [2] . Vervolgens heeft eiser ten onrechte van 14 mei 2026 tot en met 23 mei 2026 op grond van artikel 59b, van de Vw in bewaring verbleven. De maatregel van bewaring is veel te laat omgezet; van voortvarend handelen is geen sprake geweest. Dat maakt dat eiser meent dat de schottentheorie doorbroken dient te worden.
De onrechtmatigheid van de voorgaande maatregel dient dan ook door te werken in deze maatregel.
3. De rechtbank volgt eiser hierin niet en overweegt als volgt. De gestelde verkeerde grondslag of de te late grondslagwijziging is een onrechtmatigheid die de eerdere maatregel van bewaring betreft. Uit vaste jurisprudentie volgt dat een onrechtmatigheid in de eerdere inbewaringstelling in beginsel niet kan doorwerken in de daaropvolgende inbewaringstelling én dat de onrechtmatigheid van de eerdere maatregel de daaropvolgende maatregel in beginsel dan ook niet onrechtmatig maakt. [3] Alleen in het geval van een ernstige schending van een fundamenteel recht of van een opeenstapeling van ernstige gebreken voorafgaand aan de nieuwe maatregel kan van deze hoofdregel worden afgeweken.
Eiser heeft tegen de vorige maatregel een rechtsmiddel aangewend en in dit verband de door hem veronderstelde gebreken kunnen aanvoeren. Nog voordat de zaak op de zitting van 28 mei 2026 bij de rechtbank is behandeld, heeft de minister de maatregel van bewaring al opgeheven en eiser op een andere grondslag in bewaring gesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 2 juni 2026 [4] (ook) bevestigd dat de maatregel te laat was omgezet en daarvoor een schadevergoeding toegekend. Naast het door de rechtbank geconstateerde gebrek, zijn geen andere gebreken aan het licht gebracht, dus van een opeenstapeling van gebreken is geen sprake
.Ook bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat het gebrek in de eerdere maatregel heeft geleid tot een zodanige ernstige schending van het aan de vreemdeling toekomende recht, dat de schottentheorie moet worden doorbroken. De minister heeft een fout gemaakt tijdens de vorige inbewaringstelling, maar er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat de minister de fout willens en wetens heeft gemaakt. Daar had de minister namelijk geen belang bij, omdat hij eiser ook destijds ‘gewoon’ op 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring had kunnen stellen, ook als eiser een aanvraag voor een verblijfsvergunning op basis van EU-recht had ingediend op dat moment. Gelet op het voorgaande maakt het gebrek aan de voorgaande maatregel niet dat de onderhavige maatregel bij aanvang al onrechtmatig was. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Gronden
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
5. De minister heeft ter zitting de lichte grond 4e ingetrokken.
Minder ver strekkende maatregel
6. Eiser betwist de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet, maar doet het verzoek om de terugkeer naar zijn land van herkomst in vrijheid te mogen afwachten. Eiser kan terwijl hij in vreemdelingenbewaring verblijft zijn leven in Nederland niet goed afsluiten. Eiser heeft hier een koopwoning. Daarnaast wil eiser proberen om het contact met zijn kinderen te herstellen, zodat ze samen kunnen terugkeren naar Zimbabwe.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft bij deze beoordeling terecht de verklaringen en het gedrag van eiser en de gronden betrokken. Niet betwist is dat eiser zijn diplomatieke status in juni 2024 is kwijtgeraakt en sindsdien illegaal in Nederland verbleef zonder daarvan melding te doen bij de Nederlandse autoriteiten. Verder heeft eiser te kennen gegeven nu niet naar Zimbabwe te willen terugkeren (maar enkel op zijn voorwaarden en op een door hem te bepalen moment), zodat een minder ver strekkende maatregel reeds daarom niet is geïndiceerd. De minister hoeft immers niet het risico te lopen dat eiser zich weer onttrekt en niet verschijnt op de met hem gemaakte afspraken. Dat eiser het contact met zijn in Nederland verblijvende kinderen wil gaan proberen te herstellen acht de rechtbank begrijpelijk, maar maakt niet dat daarom met een lichter middel dient te worden volstaan. De rechtbank zal hieronder nog nader ingaan op de (belangen van de) kinderen en eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Arrest Adrar [5] , artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn en de belangen van de kinderen
8. Eiser stelt dat de maatregel van bewaring onvoldoende blijkt geeft van het meewegen van de belangen van de kinderen. Er staat wel iets in de maatregel van bewaring over het belang van eiser, maar niet over de belangen die de kinderen hebben bij (de aanwezigheid van) hun vader. Eiser is niet uit het ouderlijk gezag gezet, wil het contact tussen hem en de kinderen proberen te herstellen en wenst in de toekomst samen met hen terug te keren naar Zimbabwe.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister de belangen van eiser en zijn kinderen voldoende heeft meegewogen. De rechtbank zal haar oordeel toelichten. Vaststaat dat eiser zijn kinderen inmiddels al drie jaar niet fysiek heeft ontmoet. Hij heeft ook geen contact met hen op een andere wijze, bijvoorbeeld schriftelijk, telefonisch of met gebruik van digitale middelen. De omstandigheid dat eiser thans in vreemdelingenbewaring verblijft, heeft het contact tussen hem en zijn kinderen niet veranderd of verstoord.
Immers, er was al jaren voordat hij in vreemdelingenbewaring werd gesteld geen enkel contact tussen eiser en zijn kinderen. Ook in de verwezenlijking van het recht van de kinderen op (de aanwezigheid van) hun vader, is niets gewijzigd nu eiser in vreemdelingenbewaring verblijft. Het recht op contact en omgang met hun vader hebben de kinderen de afgelopen drie jaar gehad. Van dat recht hebben de kinderen in de afgelopen jaren geen gebruik van gemaakt. Gesteld noch gebleken is dat de kinderen de wil hebben om dat recht nu te effectueren. Evenmin is gebleken dat als de kinderen in de toekomst het contact (en de eventuele omgang) met hun vader zouden willen herstellen, dat dat niet zou kunnen worden gestart vanuit (of in) vreemdelingenbewaring en/of Zimbabwe. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toets
10. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat (het voortduren van) de maatregel onrechtmatig is. [6]
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, rechter, in aanwezigheid van
D.K. Bloemers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Een Chavez-Vilchezvergunning.
3.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van
4.In zaaknummer NL26.28383.
5.Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 in de zaak Adrar, ECLI:EU:C:2025:647.
6.Zie ECLI:EU:C:2022:858 en ECLI:EU:C:2026:148.