ECLI:NL:RBLIM:2025:11682

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
ROE 24/4455
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen herroepen vergunning voor aanleg aarden wal en geschil over vertrouwensbeginsel

In deze zaak gaat het om een beroep tegen een in bezwaar herroepen vergunning van rechtswege voor de aanleg van een aarden wal, die door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas is geweigerd. Eiseres, die aanvankelijk een vergunning had gekregen, stelt dat het college het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, omdat het college eerder had aangegeven dat de aanleg vergunningvrij zou zijn. De rechtbank oordeelt dat het college op goede gronden de vergunning heeft herroepen, gelet op de belangenafweging tussen de bescherming van het landschap en de belangen van omwonenden. De rechtbank concludeert dat de gestelde schadeposten, waaronder gederfde huurinkomsten en kosten voor een landschapsplan, niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/4455

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [vestigingsplaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. C.G.J.M. Termaat),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas, het college
(gemachtigde: mr. R. Schrömbges en mr. L. Feenstra)
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:

[derde partij 1] , uit [vestigingsplaats 2] (gemachtigde: mr. Ö. Ekinci),

[gemachtigde 1] en [gemachtigde 2], uit [woonplaats] (gemachtigde: mr. M.P.M. Stultiens).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om de aanvraag van eiseres voor de aanleg van een aarden wal te weigeren en de eerder van rechtswege verleende omgevingsvergunning te herroepen. Eiseres is het niet eens met dit besluit en voert - in de kern - aan dat het college het vertrouwensbeginsel heeft geschonden en het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid en gemotiveerd. Zij stelt onder meer dat het door haar overgelegde landschapsplan ten onrechte als onvoldoende is beoordeeld, dat de mededeling van het college van 6 oktober 2021 gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat de aanleg vergunningvrij was. Verder stelt eiseres dat zij schade heeft geleden door gemaakte kosten, gemiste huurinkomsten en facturen van derden. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in bezwaar op goede gronden een volledige heroverweging van de vergunning van rechtswege heeft uitgevoerd. Weliswaar is sprake van een schending van het gerechtvaardigde vertrouwen van eiseres, maar het college heeft bij de belangenafweging in redelijkheid zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de bescherming van het landschap en de belangen van omwonenden. De vergunning van rechtswege mocht daarom worden herroepen in bezwaar. De gestelde schadeposten komen bovendien niet voor vergoeding in aanmerking. Het beroep is daarom ongegrond.

Procesverloop

2. Op 13 juli 2021 is een omgevingsvergunning van rechtswege verleend. Met het bestreden besluit van 24 september 2024 op de bezwaren van derde-partijen heeft het college de vergunning alsnog geweigerd.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] hebben ook op het beroep gereageerd met een reactie. Eiseres heeft in het beroep nadere stukken ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [gemachtigde 3] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het college en de gemachtigde van [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] .

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 22 maart 2021 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor de aanleg van een aarden wal. Op verzoek van het college heeft eiseres op 15 juni 2021 een landschapsplan van Stichting IKL overgelegd als bijlage bij de aanvraag. Naar aanleiding van deze stukken is door het college een conceptbeschikking opgesteld, gedateerd 9 juli 2021, waarin werd voorzien in verlening van de gevraagde omgevingsvergunning. In deze conceptbeschikking werd het landschapsplan als onderdeel vermeld. De conceptbeschikking is echter niet door het college vastgesteld of bekendgemaakt.
3.1.
Bij brief van 6 oktober 2021 heeft het college aan eiseres meegedeeld dat de aanleg van de aarden wal vergunningvrij is. In vervolg daarop heeft eiseres in september 2023 zand op het perceel gestort.
3.2.
De stort van het zand in september 2023 heeft geleid tot de indiening van handhavingsverzoeken door derden. Naar aanleiding daarvan heeft het college bij brief van 8 december 2023 alsnog meegedeeld dat voor de aanleg van de aarden wal wel degelijk een omgevingsvergunning vereist is, maar dat deze reeds van rechtswege was verleend per 13 juli 2021. Tegen dit besluit hebben derden op 18 januari 2024 bezwaar gemaakt. In de bezwaarprocedure heeft de commissie bezwaarschriften geadviseerd om de van rechtswege verleende vergunning alsnog te herroepen, de aanvraag voor de aarden wal te weigeren en het verzoek om schadevergoeding te beoordelen. Het college heeft dit advies gevolgd.
3.3.
In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft het college vastgesteld dat de aanleg van de aarden wal vergunningplichtig is op grond van artikel 50.1, aanhef en onder g, van het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas 2017” (hierna: het bestemmingsplan), gelet op de aanduiding “overige zone – kampen” die op het perceel rust. Artikel 50.3 van het bestemmingsplan schrijft voor dat bij de beoordeling van een dergelijke aanvraag advies moet worden gevraagd aan een deskundige. Daarom heeft het college op 5 maart 2024 een advies ingewonnen bij de deskundige natuur en landschap van de gemeente. In dit advies is geconcludeerd dat de aanleg van de aarden wal in strijd is met artikel 47.1 van het bestemmingsplan, dat de noodzaak van de wal niet is aangetoond en dat de wal negatieve effecten heeft op de landschappelijke waarden en het woon- en leefklimaat van omwonenden. Ook zijn er volgens de deskundige onvoldoende alternatieven onderzocht en is sprake van verontreinigde grond. Het college heeft dit advies aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.
3.4.
Het college heeft daarom bij het bestreden besluit de van rechtswege verleende vergunning herroepen, de aanvraag voor de aarden wal geweigerd. Ook heeft het college het verzoek van eiseres om schadevergoeding vanwege gerechtvaardigd vertrouwen afgewezen.
Beoordeling
4. De rechtbank is van oordeel dat het het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
De toepasselijke wet- en regelgeving is als bijlage opgenomen bij deze uitspraak.
Mocht de van rechtswege verleende vergunning worden herroepen en alsnog worden geweigerd?
5. Eiseres stelt dat het college onvoldoende onderzocht en gemotiveerd heeft waarom het door haar ingediende landschapsplan, dat in de conceptbeschikking van 9 juli 2021 nog als aanvaardbaar werd beoordeeld, in het bestreden besluit niet langer passend zou zijn. Eiseres voert aan dat de positieve beoordeling in de conceptbeschikking niet is meegenomen in de heroverweging, en dat dit, naast de afzonderlijke beoordeling van het landschapsplan, in de besluitvorming had moeten worden betrokken.
6. De rechtbank overweegt als volgt. De aanvraag van eiseres heeft betrekking op de aanleg van een aarden wal. Deze werkzaamheden vallen onder artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Op grond van artikel 3.7 in samenhang met artikel 50.1, onder g, van het bestemmingsplan geldt voor dergelijke werkzaamheden binnen de bestemming ‘overige zone – kampen’ een omgevingsvergunningplicht. Artikel 50.4, onder b, van het bestemmingsplan bepaalt bovendien dat voorafgaand aan de vergunningverlening advies moet worden ingewonnen bij een deskundige. Bij de oorspronkelijke vergunningverlening is dit deskundigenadvies niet ingewonnen. Bij het bestreden besluit heeft het college dit hersteld door de aanvraag opnieuw te toetsen aan het bestemmingsplan en alsnog een deskundige om advies te vragen. De deskundige heeft bij haar beoordeling het door eiseres overgelegde landschapsplan volledig betrokken en getoetst aan de relevante bepalingen van het bestemmingsplan. Uit dit advies volgt dat uit het landschapsplan niet blijkt van een noodzaak voor de aanleg van de aarden wal. Eiseres heeft bovendien onvoldoende gemotiveerd waarom een wal van de gekozen omvang de meest passende oplossing zou zijn. Verder bevat het landschapsplan veel subjectieve onderbouwingen, die onvoldoende aanknopingspunten bieden om de landschappelijke inpasbaarheid objectief te kunnen beoordelen. Daarnaast concludeert de deskundige dat de aanleg van de aarden wal in strijd is met artikel 47.1 van het bestemmingsplan. De omvang en hoogte van de wal veroorzaken een onevenredige aantasting van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, belangen en functies die in dat artikel worden beschermd. Ook past het plan niet binnen het toetsingskader van artikel 50.3 van het bestemmingsplan: de wal leidt tot een dermate onevenredige inbreuk op de betrokken waarden en belangen dat vergunningverlening niet in overeenstemming is met dit artikel.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat voornoemde beoordeling zorgvuldig en toereikend is geweest en het standpunt van het college om meer gewicht toe te kennen aan het advies van hun deskundige dan aan het landschapsplan kan dragen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het advies van de deskundige inhoudelijk onjuist zou zijn, maar heeft volstaan met te verwijzen naar haar landschapsplan. Het ligt wel op de weg van eiseres om uit te leggen waarom het college zich niet kon baseren op het advies van de deskundige en dat heeft eiseres niet gedaan.
6.2.
Het enkele feit dat in een eerdere fase van de procedure door een ambtenaar intern een voor eiseres positieve conceptbeschikking is opgesteld, namelijk het stuk van 9 juli 2021, brengt geen verandering in het oordeel van de rechtbank. Voor zover eiseres met haar standpunt over dat stuk heeft bedoeld te onderbouwen dat het college dit had moeten meewegen in het bestreden besluit in de zin dat die ambtenaar kennelijk de omgevingsvergunning wilde verlenen op basis van het landschapsplan, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat een interne conceptbeschikking geen zelfstandige juridische betekenis heeft voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Ook gaat er, in tegenstelling tot waar eiseres vanuit gaat, in de zaak naar het oordeel van de rechtbank geen zwaarwegende betekenis vanuit bij de beoordeling van de vraag of een van rechtswege verleende vergunning herroepen wordt of niet. Het is het college dat in bezwaar, naar aanleiding van bezwaren, tot een volledige heroverweging over moet gaan en op dat moment lagen de feiten en omstandigheden anders. Er was een advies van een deskundige naast het landschapsplan en er waren bezwaren van derde-belanghebbenden. Verder is onduidelijk wat de redenering of gedachte van de ambtenaar die de conceptbeschikking zou hebben gemaakt geweest is omdat de conceptbeschikking geen enkele motivering bevat. Het lijkt eerder een soort standaard concept te zijn dat nog aangevuld moest worden. Er was dus ook niets wat het college had kunnen meewegen.
6.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldig tot stand gekomen en deugdelijke motivering. Het college heeft kon dan ook terecht de van rechtswege verleende vergunning herroepen en de aanvraag voor de aanleg van de aarden wal alsnog weigeren.
Kan er een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel worden gedaan?
7. Eiseres voert verder aan dat het college het vertrouwensbeginsel heeft geschonden en dat dit betekent dat het college alsnog, ondanks dat zij hier in principe gerechtigd toe was op grond van de inhoud, niet tot herroeping van de rechtswege verleende vergunning had mogen overgaan. Eiseres voert daarover aan dat het college bij brief van 6 oktober 2021 expliciet heeft meegedeeld dat de aanleg van de aarden wal vergunningvrij zou zijn. Eiseres stelt dat deze mededeling een toezegging is geweest, op grond waarvan zij is overgegaan tot het bestellen en laten storten van zand en het aangaan van verplichtingen, waaronder een huurovereenkomst en afspraken met derden.
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel er drie stappen doorlopen moeten worden. De eerste stap is of een uitlating of gedraging gekwalificeerd kan worden als een toezegging. Er is sprake van een toezegging als aannemelijk wordt gemaakt dat er sprake is van een uitlating en/of gedraging van een ambtenaar die redelijkerwijs de indruk wekt van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid wel of niet zal worden uitgeoefend. De tweede stap is of deze toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Als de eerste twee stappen bevestigend worden beantwoord dan betekent dit dat er gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt. Bij de derde stap moet vervolgens onderzocht worden of er zwaarwegende belangen zijn die zich verzetten tegen honorering van het opgewekte vertrouwen. Die zwaarder wegende belangen kunnen zijn gelegen in strijd met de wet, het algemeen belang, belang van derden. [1]
7.2.
Uit de brief van 6 oktober 2021 aan eiseres volgt dat het college de aanleg van de aarden wal vergunningvrij vond. Er bestaat tussen partijen geen geschil erover dat die brief kwalificeert als een toezegging die aan het college kan worden toegerekend (stappen 1 en 2 van het toetsingskader van de Afdeling). De rechtbank gaat hier ook vanuit. Voor zover eiseres nog vindt dat haar een ook een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt vanwege de conceptbeschikking van 9 juli 2021 in de zin dat daaruit voor eiseres het vertrouwen zou volgen dat de vergunning aan haar zou worden verleend, geldt dat de rechtbank dit niet volgt en dat betoog al sneuvelt bij stappen 1 en 2 van het toetsingskader van de Afdeling. De rechtbank is namelijk van oordeel dat uit het feit dat het bij die conceptbeschikking duidelijk gaat om een intern concept van een ambtenaar dat bovendien zonder motivering is, geen toezegging volgt, laat staan een toezegging die aan het college kan worden toegerekend. Voor zover er al vertrouwen uit kan gaan van een conceptbeschikking als de onderhavige, dan geldt bovendien dat al sprake was van een vergunning voor de aanleg van een aarden wal op het moment van het beweerdelijke gerechtvaardigde vertrouwen. Immers, eiseres is pas in november 2023 bekend geworden met die conceptbeschikking en de vergunning van rechtswege dateert al van 13 juli 2021. In zoverre was al realiteit waar eiseres in november 2023 in dat geval gerechtvaardigd op zou vertrouwen.
7.3.
Dan komt de rechtbank toe, voor wat betreft de toezegging uit de brief van 6 oktober 2021, aan de derde stap van het toetsingskader van de Afdeling, namelijk de belangenafweging. Zoals eerder overwogen, gaat het bij de derde stap om de afweging van zwaarder wegende belangen tegenover het opgewekte vertrouwen, in dit geval de toezegging dat voor de aanleg van de aarden wal geen vergunning nodig zou zijn. Het college heeft bij de belangenafweging betrokken dat eiseres de aarden wal wilde realiseren om haar perceel meer besloten te maken, de overheersende zuidwestenwind en het stuifzand uit het omliggende veld af te vangen en om een duidelijke afbakening van het perceel tot een binnenterrein te creëren. Ook heeft eiseres een economisch/financieel belang bij aanleg van de aarden wal. Daartegenover heeft het college de belangen van derden afgewogen, waaronder die van omwonenden die waarde hechten aan het behoud van het open en weidse uitzicht en voor wie de aanleg van een circa 3,5 meter hoge aarden wal op korte afstand van hun woningen een ingrijpende aantasting zou betekenen. Ook zijn de belangen van de omgeving meegewogen, zoals beschermd door het bestemmingsplan, waaronder het open karakter van het landschap en de cultuurhistorische waarden.
7.4.
De rechtbank overweegt dat het college gelet op het voorgaande de relevante belangen in kaart heeft gebracht en deze zorgvuldig heeft afgewogen in het bestreden besluit. Zoals eerder uiteengezet, staat bij de beoordeling van een vergunningaanvraag voor de aanleg van de aarden wal het landschappelijke belang in combinatie met de bescherming van het algemene belang en de ruimtelijke kaders uit het bestemmingsplan centraal. Die belangen, die in dit geval neerkomen op bescherming van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, zijn op zichzelf al zwaarwegend. Het college beschikt bovendien over beoordelingsruimte bij haar afweging. Dat alles maakt dat naar het oordeel van de rechtbank het college in dit geval aan de bescherming van landschappelijke waarden doorslaggevend gewicht mocht toekennen. Het voorgaande rechtvaardigt ook dat het college minder gewicht heeft toegekend aan het individuele belang van eiseres bij de aanleg van de wal. De stellingen van eiseres ter zitting dat de belangen van omwonenden enkel zouden zijn ingegeven door hun eigen wens om in de toekomst te kunnen bouwen, en dat een van de woningen is aangewezen als monument zodat daar feitelijk niet gebouwd kan worden, doen aan de zwaarwegendheid van het landschapsbelang niets af. Dat is immers niet, of niet alleen, het belang van omwonenden.
7.5.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om het gewekte vertrouwen niet te honoreren door de vergunning in stand te laten.
Dispositieschade
8. Nu er zwaarder wegende belangen in de weg staan aan het honoreren van het gewekte vertrouwen, kan voor het college de verplichting ontstaan om de schade te vergoeden die zonder het vertrouwen niet zou zijn ontstaan. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij schade heeft geleden die een rechtstreeks gevolg is van het door het college opgewekte vertrouwen. Uitgangspunt is dat het daarbij uitsluitend om zogenoemde dispositieschade gaat: schade die is ontstaan doordat eiseres vanwege het opgewekte vertrouwen handelingen heeft verricht of verplichtingen is aangegaan die hij zonder dat vertrouwen niet zou hebben verricht of aangegaan. [2] Of sprake is van dispositieschade kan worden bepaald aan de hand van een vergelijking tussen de feitelijke situatie waarin het vertrouwen is geschonden en de hypothetische situatie waarin geen vertrouwen zou zijn gewekt. [3] In het bestuursrecht is het nog steeds stand van zaken dat uitsluitend de dispositieschade wordt vergoed, het positief belang wordt niet vergoed en moet via het civiele recht worden verhaald. [4]
8.1.
Voor de verdere vaststelling van de schade lenen de regels van afdeling 6.1.10 van het BW [5] zich voor overeenkomstige toepassing, voor zover de aard en inhoud van het bestuursrecht zich daartegen niet verzet. Uit deze regels vloeit onder meer voort dat voor vergoeding slechts schade in aanmerking komt die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Vertaald naar de situatie van deze zaak betekent dit dat er een causaal verband tussen het gewekte vertrouwen en de schade moet zijn in die zin dat (i) het vertrouwen bepalend is geweest voor het gedrag van betrokkene, (ii) dit gedrag de schade heeft veroorzaakt en (iii) dit gedrag en de schade achterwege zouden zijn gebleven indien het vertrouwen niet was gewekt. Tot de regels van de genoemde afdeling uit het BW behoort ook de plicht van benadeelde om de schade te beperken. De rechtbank zal de verschillende door eiseres gestelde schadeposten hierna bespreken.
Aansprakelijkheidsstellingen GMB Transport B.V.
9. Eiseres zegt als gevolg van het niet (verder) kunnen aanleggen van de aarden wal een schadeclaim van € 165.422,49 te hebben ontvangen. Die claim wordt door eiseres onderbouwd met facturen van GMB Transport B.V. van 9 juli 2024 van € 70.537,50 en 15 april 2024 van € 94.884,99 aan Agro America B.V.. Eiseres stelt dat deze schadeclaims betrekking hebben op onbetaalde werkzaamheden voor de aanleg van de aarden wal. Agro America B.V. zou deze schadeclaims van GMB Transport B.V. doorbelasten aan eiseres.
9.1.
De rechtbank is over deze schadepost van oordeel dat niet aannemelijk is dat eiseres de gestelde schade heeft geleden. De door eiseres overgelegde stukken bestaan uit facturen, mails en brieven waaruit de schade en de afspraken zouden moeten blijken. Echter kan hieruit niet kan worden afgeleid (1) welke concrete afspraken zijn gemaakt en (2) onder welke voorwaarden deze gelden. Verder blijkt ook uit die stukken niet dat GMB Transport B.V. een overeenkomst zou hebben gesloten met eiseres of dat eiseres door GMB Transport B.V. aansprakelijk is gesteld. De aansprakelijkstellingen en de brieven en mails zijn immers steeds aan Agro America B.V. en niet eiseres geadresseerd. Eiseres heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat Agro America B.V. op haar beurt eiseres aansprakelijk heeft gesteld of dat eiseres enige verplichting zou hebben om een eventuele schadevergoeding voor GMB Transport B.V. wegens wanprestatie van Agro America B.V. te vergoeden. Dit blijkt ook nergens uit. Het enige document ter onderbouwing van de relatie tussen eiseres en voornoemde vennootschappen is de mail van 21 mei 2024. Daarin stelt Agro America B.V. dat de kosten intern aan eiseres zullen worden doorbelast. Dat is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet en biedt ook geen bewijs ervan dat eiseres daadwerkelijk aansprakelijk is. Ter zitting is evenmin gebleken hoe de doorbelasting aan eiseres precies plaatsvindt en waar die doorbelasting dan op is gebaseerd.
9.2.
Verder overweegt de rechtbank dat als al zou komen vast te staan dat er sprake is van schade, het hier om schade in de vorm van positief contractsbelang gaat wat zoals eerder overwogen niet voor vergoeding in aanmerking komt in het bestuursrecht. Gelet op het voorgenoemde oordeelt de rechtbank dat dat deze schadepost niet voor vergoeding in aanmerking komt.
Gederfde huurinkomsten
10. Eiseres heeft voorts een schadepost opgevoerd van € 55.000,00, bestaande uit gederfde huurinkomsten uit een overeenkomst die zij op 17 april 2023 met [naam] heeft gesloten voor de huur van een perceel van eiseres voor plantveredeling. Eiseres stelt dat deze overeenkomst enkel is gesloten in vertrouwen op de toezegging van
6 oktober 2021 dat de aarden wal vergunningvrij zou zijn. Omdat de aarden wal noodzakelijk was voor de uitvoering van de overeenkomst (zonder wal zou plantenveredeling niet mogelijk zijn), heeft [naam] de overeenkomst volgens eiseres ontbonden en is eiseres de huurinkomsten misgelopen.
10.1.
De rechtbank is ook hier van oordeel dat eiseres deze schadepost niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank stelt vast dat eiseres stelt huurinkomsten te zijn misgelopen. Daartoe heeft zij een overeenkomst met [naam] van 17 april 2023 overgelegd. In deze overeenkomst zijn de afspraken tussen partijen, de looptijd, de datum van aanvang en de betalingstermijnen opgenomen. Daarnaast is een brief van 27 juni 2024 overgelegd, waarin de mogelijkheid tot ontbinding van de overeenkomst wordt genoemd voor het geval de afspraken niet worden nagekomen. Hoewel eiseres een overeenkomst heeft overgelegd waar in staat dat eiseres zorg draagt voor de aanleg van een zandwal, blijkt niet dat die overeenkomst niet meer bestaat. Immers, pas dan kan er sprake zijn van gemiste inkomsten. Om niet meer te bestaan is vereist dat de overeenkomst door [naam] rechtsgeldig is opgezegd of ontbonden vanwege het inmiddels niet meer aanwezig zijn van een aarden wal en dat dit het geval is heeft eiseres niet gesteld. Uit de overgelegde stukken blijkt dat ook niet.
10.2.
Verder is de rechtbank van oordeel dat, zelfs al zou komen vast te staan dat eiseres huurinkomsten heeft gederfd vanwege ontbinding van de overeenkomst met [naam] , dit aan haarzelf te wijten is. Immers, ten tijde van het bestreden besluit stond de aarden wal er en kon er dus ook geen grond zijn voor ontbinding van de overeenkomst op die basis. Eiseres heeft de aarden wal immers in het najaar van 2023 aangelegd of laten aanleggen. Die wal is pas door de gemeente met toestemming van eiseres in 2025 verwijderd. Dat betekent dat een eventuele ontbinding van de overeenkomst met [naam] na het bestreden besluit vanwege het ontbreken van een aarden wal aan eiseres te wijten is en op grond van eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 van het BW voor zijn rekening moet blijven.
10.3.
Als laatste geldt nog, zou al sprake zijn van schade die voor vergoeding in aanmerking komt, die schade bestaat uit gederfde winst in de vorm van huurinkomsten. Zoals eerder is overwogen, is schade die bestaat uit gemist voordeel geen dispositieschade die vergoed kan worden vanwege schending van gewekt vertrouwen.
Kosten landschapsplan
11. Ten slotte heeft eiseres een bedrag van € 525,00 opgevoerd aan kosten voor de opstelling van een landschapsplan door Stichting IKL. Volgens eiseres is het onredelijk dat het college haar om een landschapsplan heeft gevraagd, nu het college naar haar mening reeds had kunnen weten dat de aanleg van de aarden wal landschappelijk niet inpasbaar zou zijn.
11.1.
De rechtbank volgt dit betoog niet. Deze kosten zijn gemaakt in het kader van de aanvraag van 22 maart 2021 en staan daarmee los van de toezegging van 6 oktober 2021 dat de aanleg van de aarden wal vergunningvrij zou zijn. De kosten voor het landschapsplan dateren van vóór 6 oktober 2021. Voor een vergoeding is vereist dat er een causaal verband bestaat tussen de gewekte verwachtingen en de gemaakte kosten. Van een dergelijk verband is hier geen sprake. De rechtbank oordeelt daarom dat de kosten voor het landschapsplan niet als dispositieschade kunnen worden aangemerkt en niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Overige schade en conclusie
12. Voor het overige is niet gebleken van geleden dispositieschade aan de zijde van eiseres. Op zitting is immers komen vast te staan dat het zand voor de aarden wal door of namens eiseres kosteloos is gestort, zodat eiseres hiervoor geen uitgaven heeft hoeven doen. Ook heeft eiseres geen kosten hoeven maken voor het verwijderen van de aarden wal. Dat heeft de gemeente immers op haar kosten laten doen.
12.1.
Uit het voorgaande blijkt dat de gestelde schadeposten niet voor vergoeding in aanmerking komen en dat betekent dat het college in het bestreden besluit terecht geen schadevergoeding wegens dispositieschade aan eiseres heeft toegekend.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. C. Chraiha, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 27 november 2025
griffier
rechter
De griffier is verhinderd om de uitspraak mee te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 27 november 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
(…)
b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,
(…)
Bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas 2017’

Artikel 3 Agrarisch met waarden

3.7
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Het bepaalde in artikel 50 is van toepassing.
Artikel 50 Omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden
50.1
Omgevingsvergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning ter plaatse van de hierna genoemde bestemmingen of aanduidingen de daarbij aangegeven werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren te doen of te laten uitvoeren:
Werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden (*)
Ter plaatse van de bestemming/aanduiding
Overige zone – kampen
g
(*) de onderstaande letters geven aan dat een omgevingsvergunning is vereist (activiteit onder voorwaarden mogelijk) De letters worden hierna verklaard:
Werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden:
(…)
g. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
(…)
50.3
Afwegingskader
Burgemeester en wethouders verlenen de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 50.1 alleen indien door de in lid 50.1 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden, dan wel door de gevolgen daarvan, hetzij direct, hetzij indirect de waarden, belangen en/of functies die het plan beoogt te beschermen, niet blijvend onevenredige of niet onevenredig kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.
50.4
Procedure
(…)
b. Voordat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 50.1 verleent, wordt schriftelijk advies gevraagd aan een deskundige. Bij de volgende bestemmingen is dat de eigenaar / beheerder van de betreffende infrastructuur:
Leiding - Brandstof;
Leiding - Gas;
Leiding - Hoogspanningsverbinding;
Leiding - Leidingstrook;
Leiding - Riool;
Leiding - Water;
Waterstaat - Waterbergend rivierbed;
Waterstaat - Stroomvoerend deel rivierbed.
(…)

Artikel 47 Algemene aanduidingsregels

47.1
Cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden
Ter plaatse van de aanduidingen in de navolgende tabel zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de desbetreffende cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden welke zijn opgenomen in de navolgende tabel:
Aanduiding
Landschaps- en natuurwaarden
overige zone - kampen
- Structuur- en gradiëntrijk landschap. Afwisseling van open, kleinschalige en besloten gebieden.
- Grillige verkaveling tot blokvormige verkavelingen.
- Bochtige wegen (onder invloed van het reliëf) en rechte wegen (blokvormige verkaveling).
- Oude akkercomplexen met karakteristieke bolle vorm die gehandhaafd moeten blijven en openheid ten zuidoosten van Melderslo.
- Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, met name aan de randen van oude akkercomplexen.
- Zichtlijnen over oude akkercomplexen.
- Grote variatie in landschapselementen, zoals boscomplexen, bomenrijen, houtwallen- en singels en bomengroepen.
- Houtwallen inzetten als raamwerk waarbinnen grondgebonden ontwikkelingen mogelijk zijn.
- Door het structuur- en gradiëntrijke landschapstype herbergt het diverse natuurwaarden.
- Geprojecteerde verbindingszone tussen Peel, Schadijksche Bosschen en Zuringspeel / Kronenbergerheide.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.
3.Conclusie Snijders, ECLI:NL:RVS:2024:3420, onder 8.7-8.10 en 10.2.
4.Conclusie Snijders, ECLI:NL:RVS:2024:3420.
5.Burgerlijk Wetboek.