ECLI:NL:RVS:2024:1248
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- N. Verheij
- V.V. Essenburg
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning verblijfsvergunning asiel met juiste ingangsdatum
De vreemdeling diende op 22 september 2021 een asielaanvraag in, die aanvankelijk niet in behandeling werd genomen omdat Italië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk was. Nederland werd uiteindelijk verantwoordelijk omdat de staatssecretaris de vreemdeling niet tijdig had overgedragen. De vreemdeling diende daarop op 27 juli 2022 een tweede aanvraag in, waarna de staatssecretaris de verblijfsvergunning verleende met ingang van die datum.
De rechtbank oordeelde dat de eis van de staatssecretaris om een nieuwe aanvraag in te dienen in strijd is met de Dublinverordening, omdat dit het proces vertraagt en onverenigbaar is met het doel van de verordening. De rechtbank vernietigde het besluit en bepaalde dat de vergunning met ingang van de oorspronkelijke aanvraagdatum wordt verleend.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in, maar dit werd ongegrond verklaard. De Afdeling bevestigde dat de staatssecretaris ten onrechte een nieuwe aanvraag eiste en dat het besluit om de eerste aanvraag niet in behandeling te nemen van rechtswege vervalt, waardoor de oorspronkelijke aanvraag weer openvalt. De proceskosten werden aan de staatssecretaris opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de oorspronkelijke asielaanvraag dient als basis voor de verblijfsvergunning met ingang van 22 september 2021.