ECLI:NL:RVS:2023:2993
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ingangsdatum verblijfsvergunning asiel bij opvolgende aanvraag
De vreemdeling, van Senegalese nationaliteit, diende op 13 maart 2019 een asielaanvraag in op grond van bekering tot het christendom. Deze aanvraag werd afgewezen en het besluit werd onherroepelijk. Op 27 september 2019 diende hij een opvolgende asielaanvraag in met als grond dat hij homoseksueel is, hetgeen hij in de eerste procedure niet had vermeld.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en bepaalde dat de verblijfsvergunning asiel met ingang van 13 maart 2019 moest worden verleend. De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze ingangsdatum, stellende dat dit in strijd is met de wet omdat er geen verzoek tot bestuurlijke heroverweging was gedaan.
De Raad van State oordeelde dat het hier gaat om een opvolgende aanvraag en niet om een verzoek tot bestuurlijke heroverweging. Volgens artikel 44, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 moet de verblijfsvergunning bij inwilliging worden verleend met ingang van de datum van ontvangst van de opvolgende aanvraag. De rechtbank had dit ten onrechte anders beoordeeld.
Daarom vernietigde de Raad van State het vonnis van de rechtbank voor zover het de ingangsdatum van 13 maart 2019 bepaalde en stelde de ingangsdatum vast op 27 september 2019, de datum van de opvolgende aanvraag. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel wordt vastgesteld op 27 september 2019, de datum van de opvolgende aanvraag.