ECLI:NL:RVS:2022:665
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Opheffing ongewenstverklaring wegens ontbreken actuele ernstige bedreiging openbare orde
De staatssecretaris heeft de vreemdeling in 2011 ongewenst verklaard vanwege een gevaar voor de openbare orde, met een onbepaalde geldigheidsduur. Na implementatie van de Terugkeerrichtlijn werd dit aangemerkt als een inreisverbod dat maximaal vijf jaar gehandhaafd mag worden. De vreemdeling verzocht om opheffing van deze verklaring, wat door de staatssecretaris en rechtbank werd afgewezen.
De Raad van State oordeelt dat de staatssecretaris onjuist heeft geoordeeld dat de ongewenstverklaring ongeacht de ernst van de bedreiging vijf jaar gehandhaafd mag worden. Volgens het Unierechtelijke criterium moet de staatssecretaris beoordelen of het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving.
Omdat de staatssecretaris zelf erkende dat dit niet het geval was, had het verzoek om opheffing moeten worden ingewilligd. De Raad van State vernietigt daarom het eerdere besluit en beveelt de opheffing van de ongewenstverklaring met terugwerkende kracht tot de datum van het verzoek. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: De ongewenstverklaring wordt opgeheven omdat het persoonlijke gedrag van de vreemdeling geen actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde.