ECLI:NL:RBDHA:2022:14204
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek opheffing ongewenstverklaring op grond van nationale vreemdelingenregels
Eiser is op 28 april 2016 ongewenst verklaard wegens een geweldsdelict en verzocht op 1 april 2020 om opheffing van deze verklaring. Verweerder wees dit verzoek af omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 6.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000, waaronder het ontbreken van vereiste bewijsstukken en het niet hebben verbleven buiten Nederland gedurende tien achtereenvolgende jaren.
Eiser stelde dat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld of zijn gedrag een actuele bedreiging voor de openbare orde vormt volgens het Unierechtelijke openbare orde-criterium. De rechtbank oordeelde dat de Terugkeerrichtlijn niet op eiser van toepassing is omdat hij onder een uitzonderingscategorie valt vanwege een concreet terugnameverzoek op grond van de Dublinverordening.
Verder verwierp de rechtbank het betoog dat artikel 6.6 Vb achterhaald is en bevestigde dat verweerder terecht bewijsstukken verlangt. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde omdat eiser geen zwaarwegende redenen voor opheffing aanvoerde en het belang van Nederland bij handhaving van de ongewenstverklaring zwaarder weegt.
De rechtbank concludeerde dat geen van de aangevoerde beroepsgronden slaagt en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard.