ECLI:NL:RVS:2022:458
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- H.G. Sevenster
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Vaststelling afgeleid verblijfsrecht en afhankelijkheidsverhouding in vreemdelingenrecht
De vreemdeling, met de Ghanese nationaliteit, verzocht om afgifte van een verblijfsdocument als afgeleid recht op grond van het verblijf van zijn dochter, een Nederlandse Unieburger. De staatssecretaris wees dit verzoek af, wat leidde tot bezwaar en beroep bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het belang van de vreemdeling bij een inhoudelijke beoordeling van het afgeleid verblijfsrecht heeft ontkend vanwege de meerderjarigheid van de dochter. Volgens de jurisprudentie is het noodzakelijk om het afgeleid verblijfsrecht tijdens de minderjarigheid te beoordelen om het voortgezet verblijf na meerderjarigheid te kunnen bepalen.
Echter, de Raad van State stelt ook vast dat de vreemdeling onvoldoende concrete gegevens heeft geleverd om een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding aannemelijk te maken, zoals vereist op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Foto’s en verklaringen van de dochter en haar moeder zijn onvoldoende bewijs van structurele zorg en afhankelijkheid. De staatssecretaris heeft terecht aanvullende bewijsstukken gevraagd die de vreemdeling niet heeft overgelegd.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, maar de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €759,00. De uitspraak is gedaan door drie leden van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van afhankelijkheidsverhouding, maar de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.