ECLI:NL:RVS:2022:2861
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- H.J.M. Baldinger
- J.J.W.P. van Gastel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap wegens terroristische misdrijven
Appellant, geboren in Irak en sinds 1999 in Nederland, kreeg in 2008 het Nederlanderschap. In 2019 trok de staatssecretaris dit in op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, vanwege bewezen terroristische voorbereidingshandelingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in en voerde onder meer aan dat de intrekking onterecht was, dat hij staatloos zou worden, dat sprake was van discriminatie, en dat de maatregel in strijd zou zijn met het ne-bis-in-idem-beginsel en het EVRM.
De Raad van State oordeelt dat het arrest van het gerechtshof Den Haag uit 2017 de intrekking zelfstandig kan dragen. De Raad wijst de stelling dat appellant staatloos wordt af, gelet op bewijs van zijn Iraakse nationaliteit. Ook is de intrekking niet discriminerend en niet in strijd met het ne-bis-in-idem-beginsel, omdat het geen strafrechtelijke sanctie betreft.
Verder is de staatssecretaris terecht tot intrekking overgegaan gezien de ernst van de terroristische feiten en de actuele bedreiging die appellant vormt. De Raad bevestigt dat de staatssecretaris een deugdelijke evenredigheidsbeoordeling heeft gemaakt, inclusief de gevolgen voor het Unieburgerschap. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; intrekking Nederlanderschap bevestigd wegens terroristische voorbereidingshandelingen.