ECLI:NL:RVS:2022:2777
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid afwijzing verzoek opheffing ongewenstverklaring vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees het verzoek van een vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring af, omdat hij nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar de staatssecretaris ging in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris de afwijzing deugdelijk heeft gemotiveerd, onder meer door de 1(F)-vaststelling uit het Vluchtelingenverdrag als uitgangspunt te nemen en de brief van de Palestinian Mission niet als afdoende bewijs te beschouwen. Tevens stelde de Afdeling dat het niet vereist is dat het risico op verstoring van de openbare orde reeds is ingetreden, maar dat het voldoende is dat dit mogelijk is.
Verder werd geoordeeld dat de staatssecretaris een juiste Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling heeft gemaakt, waarbij minder vergaande maatregelen niet doeltreffend zijn geacht. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waarbij ook het besluit van 4 juni 2021 werd vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring wordt afgewezen.