ECLI:NL:RVS:2022:1510
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling ten onrechte in bewaring gesteld wegens rechtmatig verblijf na terugkeer
De vreemdeling, met de Poolse nationaliteit, werd in 2019 bevolen Nederland te verlaten en is in februari 2020 uitgezet. Na een verblijf van veertien tot vijftien maanden in Polen keerde hij in 2021 terug naar Nederland, waar hij legaal als schilder werkte. Na een strafrechtelijke detentie werd hij in december 2021 in vreemdelingenbewaring gesteld wegens vermeend onrechtmatig verblijf.
De kern van het geschil betrof de vraag of de vreemdeling zijn eerdere verblijf daadwerkelijk en effectief had beëindigd, zoals vereist volgens het arrest F.S. van het HvJEU. De rechtbank oordeelde dat dit niet het geval was, maar de Raad van State stelde vast dat de vreemdeling na terugkomst daadwerkelijk en effectief buiten Nederland had verbleven en een materiële wijziging van omstandigheden had ondergaan door legaal werk te verrichten.
Hierdoor was het verwijderingsbesluit van 2019 niet langer van kracht en was het verblijf van de vreemdeling ten tijde van de bewaring rechtmatig. De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en kende de vreemdeling een schadevergoeding toe. Tevens werden proceskosten aan de vreemdeling toegekend.
Uitkomst: De vreemdeling is ten onrechte in bewaring gesteld omdat zijn verblijf rechtmatig was na terugkeer en legaal werk.