ECLI:NL:RBDHA:2024:10587
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijderingsmaatregel en belangenafweging bij rechtmatig verblijf Unieburgers
Eiser, een Poolse Unieburger zonder rechtmatig verblijf in Nederland, werd geconfronteerd met een verwijderingsmaatregel opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank beoordeelde het beroep van eiser tegen dit besluit en het verzoek om een voorlopige voorziening.
De staatssecretaris concludeerde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf, omdat hij geen werk verrichtte, niet aantoonbaar werk zocht en niet over voldoende middelen beschikte. De belangenafweging werd in het nadeel van eiser gemaakt, mede vanwege zijn gebrek aan economische activiteiten, woonplaats en taalvaardigheid.
Eiser voerde aan dat de belangenafweging onzorgvuldig was, dat het lex certa-beginsel werd geschonden en dat de vertrektermijn onvoldoende gemotiveerd was. De rechtbank oordeelde dat de belangenafweging zorgvuldig was, dat verweerder voldoende informatie had verstrekt over het daadwerkelijk en effectief beëindigen van het verblijf en dat de vertrektermijn van een maand passend was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de verwijderingsmaatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.