ECLI:NL:RVS:2021:2659
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- G.M.H. Hoogvliet
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vaststelling meerderjarigheid vreemdeling en weigering verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling uit Eritrea diende op 2 oktober 2020 een asielaanvraag in Nederland in waarbij zij aangaf minderjarig te zijn. De Nederlandse autoriteiten twijfelden aan deze minderjarigheid en stelden vast dat zij in Zweden als meerderjarige geregistreerd staat met een andere geboortedatum. De staatssecretaris weigerde de aanvraag in behandeling te nemen en vroeg de terugname van de vreemdeling door Zweden.
De rechtbank oordeelde dat er concrete aanknopingspunten waren om te twijfelen aan de juistheid van de in Zweden geregistreerde geboortedatum en verplichtte nader onderzoek. De staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep. De Raad van State overwoog dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel de staatssecretaris toestaat uit te gaan van de Zweedse registratie tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat deze onjuist is.
De vreemdeling slaagde er niet in met haar documenten en verklaringen aannemelijk te maken dat de geboortedatum onjuist is. De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens oordeelde de Afdeling dat de overdracht aan Zweden geen onevenredige hardheid oplevert, mede gelet op de medische situatie en de hulpverlening in Nederland en Zweden.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.