ECLI:NL:RVS:2020:2830

Raad van State

Datum uitspraak
1 december 2020
Publicatiedatum
1 december 2020
Zaaknummer
202005251/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 9 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen dwangsom bij verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk verklaard

Bij besluit van 3 juni 2020 verleende de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de vreemdeling en bepaalde dat geen dwangsom was verbeurd.

De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en stelde dat de staatssecretaris een dwangsom van €2.600,00 had verbeurd wegens het niet tijdig uitvoeren van een eerdere uitspraak. De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het standpunt van de staatssecretaris over de verschuldigdheid en hoogte van de dwangsom geen publiekrechtelijke rechtshandeling is en dat de rechtbank daarom onbevoegd is om hierover te oordelen. De vreemdeling dient zich tot de burgerlijke rechter te wenden voor de vaststelling van de dwangsom.

Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de rechtbank onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep tegen de hoogte van de dwangsom. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank is onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen de hoogte van de dwangsom, hoger beroep gegrond verklaard en uitspraak vernietigd.

Uitspraak

202005251/1/V1.
Datum uitspraak: 1 december 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 8 september 2020 in zaak nr. NL20.13345 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 3 juni 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd en bepaald dat hij aan de vreemdeling geen dwangsom heeft verbeurd.
Bij uitspraak van 8 september 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarin de hoogte van de dwangsom is vastgesteld, en bepaald dat de staatssecretaris aan de vreemdeling een dwangsom heeft verbeurd van € 2.600,00.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat te Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.    De staatssecretaris klaagt in de enige grief terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat hij aan de vreemdeling een dwangsom heeft verbeurd van € 12.600,00, voor het niet tijdig uitvoering geven aan de bij een uitspraak van 13 maart 2020 door de rechtbank opgelegde nadere termijn. Het standpunt dat de staatssecretaris in het besluit heeft ingenomen over de verschuldigdheid en hoogte van de aan die uitspraak verbonden nadere dwangsom als bedoeld in artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb, is geen publiekrechtelijke rechtshandeling. Het is dus geen besluitonderdeel waartegen de vreemdeling in beroep kan gaan. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1152, onder 7. Voor het vaststellen van de verschuldigdheid en hoogte van de nadere dwangsom moet de vreemdeling zich tot de burgerlijke rechter wenden; zie de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1025, onder 8.1.
2.    Het hoger beroep is gegrond. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de rechtbank alsnog onbevoegd verklaren van het beroep van de vreemdeling kennis te nemen, nu hij dat heeft gericht tegen het standpunt van de staatssecretaris over de hoogte van de door hem verbeurde nadere dwangsom. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 8 september 2020 in zaak nr. NL20.13345;
III.    verklaart de rechtbank onbevoegd van het beroep tegen de hoogte van de door de staatssecretaris verbeurde nadere dwangsom kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2020
382-862.