ECLI:NL:RBDHA:2021:9699
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens ongeloofwaardige geloofsverdieping
Eiser, een Iraanse nationaliteithebbende, diende een opvolgende asielaanvraag in met als grondslag een oprechte verdieping in het christelijk geloof. Verweerder wees deze aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijk bekeerd was en bij terugkeer een reëel risico liep op ernstige schade.
Tijdens de zitting werd onder meer een pastor gehoord die een verklaring had afgegeven over de geloofwaardigheid van eiser. De rechtbank oordeelde echter dat de verklaringen van eiser en de pastor onvoldoende inzicht boden in het proces en de motieven van de bekering. Ook werd onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser door de Iraanse autoriteiten als afvallige of bekeerling wordt beschouwd, mede omdat de brief aan de ambassade niet overtuigend was toegeschreven aan eiser.
Verder stelde de rechtbank vast dat verweerder niet gehouden was om een algehele nieuwe beoordeling van de bekering te maken, gezien eerdere afwijzingen en dat eiser onvoldoende nieuwe geloofwaardige elementen had aangevoerd. Ten slotte oordeelde de rechtbank dat zij niet bevoegd is om de hoogte van een rechterlijke dwangsom vast te stellen en verwees eiser naar de burgerlijke rechter.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de rechtbank is onbevoegd om de hoogte van de rechterlijke dwangsom vast te stellen.