ECLI:NL:RVS:2020:2377
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke handhaving tegen illegaal botenhuis in strijd met bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer legde Wille Vastgoed een last onder dwangsom op wegens het zonder omgevingsvergunning bouwen en in stand houden van een botenhuis in strijd met het bestemmingsplan. Wille Vastgoed maakte bezwaar en stelde beroep in, dat door de rechtbank werd afgewezen. In hoger beroep betoogde Wille Vastgoed onder meer dat het botenhuis geen bouwwerk is, dat sprake is van overgangsrecht, en dat het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel zijn geschonden.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het botenhuis wel als bouwwerk moet worden aangemerkt, omdat het bedoeld is om ter plaatse te functioneren en indirect met de grond is verbonden. Gebruiksovergangsrecht biedt geen vergunningvervangende titel en de Wet verduidelijking voorschriften woonboten is niet van toepassing. Het college handelde niet in strijd met het vertrouwensbeginsel, omdat Wille Vastgoed onvoldoende aannemelijk maakte dat toezeggingen waren gedaan. Ook het gelijkheidsbeginsel werd niet geschonden, mede vanwege het handhavingsbeleid en de prioritering.
De hoogte van de dwangsom werd als proportioneel beoordeeld, passend bij de bouwkosten en het doel van handhaving. Ten aanzien van het invorderingsbesluit oordeelde de Afdeling dat geen bijzondere omstandigheden waren die invordering in de weg staan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van Wille Vastgoed wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.