ECLI:NL:RVS:2019:1425
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke handhaving wegens illegale bouwwerken en gebruik perceel te Bodegraven
Appellant is eigenaar van een perceel te Bodegraven waarop zonder vereiste omgevingsvergunning diverse bouwwerken en werken aanwezig zijn, waaronder een stacaravan, boothuis met steiger, schuur, perceelafscheidingen en een haven met boothelling. Het college heeft appellant meerdere malen gelast deze illegale bouwwerken te verwijderen en verwijderd te houden, met oplegging van dwangsommen.
Appellant betoogde onder meer dat er geen overtreding was van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) omdat de stacaravan geen bouwwerk zou zijn en dat overgangsrecht van toepassing zou zijn. Deze argumenten werden verworpen omdat de stacaravan wel als bouwwerk wordt aangemerkt en het overgangsrecht geen omgevingsvergunning vervangende titel biedt. Ook andere bouwwerken en werken vereisten een vergunning die niet was verleend.
Daarnaast voerde appellant aan dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel zou hebben gehandeld door in vergelijkbare gevallen niet op te treden. De Afdeling oordeelde dat prioritering in handhaving is toegestaan en dat het college voldoende heeft toegelicht waarom in deze zaak prioriteit werd gegeven vanwege de stapeling van overtredingen en een verzoek om handhaving.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank die het beroep van appellant ongegrond verklaarde en wees het hoger beroep af. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het handhavingsbesluit wordt bevestigd.