ECLI:NL:RVS:2020:86
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Handhaving tegen gebruik voormalige bedrijfswoning als burgerwoning in strijd met bestemmingsplan
De maatschap exploiteert een pluimveehouderij en verzocht het college van burgemeester en wethouders van Venlo handhavend op te treden tegen het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, omdat dit in strijd is met het geldende bestemmingsplan. De woning was in 1995 afgesplitst van het agrarisch bedrijf en sinds 1997 bewoond door een gezin zonder binding met de pluimveehouderij.
Het college wees het verzoek in eerste instantie af, waarna de maatschap bezwaar en beroep instelde. De rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigden eerdere besluiten en verplichtten het college een nieuw besluit te nemen. Uiteindelijk legde het college een last onder dwangsom op aan de bewoner om het gebruik als burgerwoning binnen een jaar te beëindigen.
De maatschap voerde aan dat de begunstigingstermijn van één jaar onredelijk lang was en dat de dwangsom te laag was om voldoende prikkel te geven. De Afdeling oordeelde dat de termijn niet onredelijk was gezien de voorgeschiedenis en dat het dwangsombedrag in redelijke verhouding stond tot het doel. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de maatschap tegen het handhavingsbesluit wordt ongegrond verklaard en het college mag de dwangsom opleggen met een begunstigingstermijn van één jaar.