ECLI:NL:RVS:2020:1642
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vermindering bestuurlijke boete wegens overschrijding redelijke termijn en onvoldoende inzicht financieel voordeel hennepkwekerij
Op 2 november 2016 trof de politie in de woning van appellant een hennepkwekerij aan. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag legde appellant een bestuurlijke boete op wegens het onttrekken van zijn woning aan de woonbestemming zonder vergunning. Na bezwaar matigde het college de boete van € 10.250,- naar € 5.000,-. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Appellant stelde dat de boete onevenredig hoog was en dat het college het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften had moeten volgen om de boete te matigen tot € 2.376,-. Tevens voerde appellant aan geen financieel voordeel te hebben genoten uit de hennepkwekerij en dat een strafrechtelijke ontnemingsmaatregel dat voordeel had weggenomen. Ook klaagde appellant over de overschrijding van de redelijke termijn.
De Afdeling oordeelde dat appellant onvoldoende inzicht had gegeven in het financieel voordeel uit de hennepkwekerij, waardoor het college de boete niet verder hoefde te matigen. Wel stelde de Afdeling vast dat de redelijke termijn van twee jaar voor bezwaar en beroep met acht maanden was overschreden, wat aanleiding gaf tot een boetevermindering. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en het besluit van het college en stelde de bestuurlijke boete vast op € 4.500,-. Tevens veroordeelde zij het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt verminderd tot € 4.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn en onvoldoende inzicht in het financieel voordeel.