ECLI:NL:RVS:2019:3262
Raad van State
- Prejudicieel verzoek
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over verblijfsrecht en bewaring van Unieburgers na verwijderingsbesluit
De zaak betreft een vreemdeling van Poolse nationaliteit die in Nederland in vreemdelingenbewaring is gesteld na een besluit tot verwijdering wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf. De vreemdeling betwistte de bewaring en stelde dat hij Nederland binnen de gestelde termijn vrijwillig had verlaten, waardoor het verwijderingsbesluit geen rechtsgevolgen meer zou hebben en hij rechtmatig verblijf had volgens artikel 6 van Pro de Verblijfsrichtlijn.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de vreemdeling ging in hoger beroep. De staatssecretaris betoogde dat het vertrek naar Duitsland niet voldoende was om de rechtsgevolgen van het verwijderingsbesluit te beëindigen, omdat de vreemdeling zich niet bestendig in Duitsland had gevestigd zoals vereist volgens een arrest van het Hof van Justitie (O. & B.).
De Raad van State overwoog dat het onduidelijk is wanneer een verwijderingsbesluit rechtsgevolgen verliest: direct na vertrek of pas na een bestendig verblijf buiten het gastland. Dit raakt aan de interpretatie van artikel 15 van Pro de Verblijfsrichtlijn en de rechten van Unieburgers op terugkeer en verblijf. Daarom zijn prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie gesteld om duidelijkheid te verkrijgen over de duur en reikwijdte van de rechtsgevolgen van een verwijderingsbesluit.
De behandeling van het hoger beroep is geschorst in afwachting van de prejudiciële uitspraak.
Uitkomst: De behandeling van het hoger beroep wordt geschorst in afwachting van de prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie.