ECLI:NL:RBDHA:2026:3644
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.S. Gaastra
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring ondanks beroep op verblijfsrecht op grond van Chavez-Vilchez
De minister van Asiel en Migratie legde op 26 oktober 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring op aan eiser, die deze maatregel betwistte en beroep instelde. Eerder had de rechtbank de maatregel reeds getoetst en in stand gelaten in uitspraken van 7 november en 30 december 2025.
Eiser voerde aan dat hij rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 20 VWEU Pro, afgeleid van het arrest Chavez-Vilchez, omdat hij een erkend kind met de Duitse nationaliteit heeft dat bij de moeder in Duitsland verblijft. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat er een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind gedwongen zou zijn de EU te verlaten als aan eiser verblijfsrecht wordt geweigerd. De overgelegde stukken, waaronder een schriftelijke verklaring van de moeder, boden onvoldoende bewijs van daadwerkelijke zorg of afhankelijkheid.
Daarnaast stelde eiser dat er geen zicht op uitzetting naar Marokko zou zijn. De rechtbank stelde vast dat het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten loopt en dat de minister regelmatig rappelleert op de laissez-passer aanvraag. Het ontbreken van een verstrekte laissez-passer betekent niet dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Ook is niet gebleken dat eiser voldoende meewerkt aan zijn uitzetting.
Eiser voerde verder aan dat de maatregel van bewaring een disproportionele inbreuk maakt op zijn gezinsleven en dat de minister een lichter middel had moeten toepassen. De rechtbank verwierp deze gronden, verwijzend naar eerdere uitspraken waarin geen bijzondere omstandigheden waren vastgesteld die een lichter middel rechtvaardigen. De belangenafweging blijft in het voordeel van de minister zolang eiser minder dan zes maanden in bewaring zit en geen bijzondere omstandigheden aanvoert.
De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring rechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en de minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.