ECLI:NL:RVS:2018:3298
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- B.P. Vermeulen
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Raad van State bevestigt toepassing hybride procedure bij gewijzigde werkzame stof geneesmiddelen
Teva Pharmaceuticals Ltd (later Teva GmbH) en Teva Nederland B.V. stelden beroep in tegen handelsvergunningen die het College ter beoordeling van geneesmiddelen (CBG) aan Synthon B.V. en Mylan B.V. had verleend voor geneesmiddelen die glatirameeracetaat bevatten, een werkzame stof voor de behandeling van multiple sclerose. De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep ongegrond, met als reden dat Teva geen belanghebbende was en dat de bescherming van concurrentiebelangen beperkt was tot de beschermingsperiode van tien jaar.
De Raad van State oordeelde dat Teva wel belanghebbende is en dat het relativiteitsvereiste niet aan Teva kan worden tegengeworpen. Vervolgens werd de kern van het geschil behandeld: of de hybride procedure volgens artikel 42, zesde lid, van de Geneesmiddelenwet (Gmw) toegepast mag worden als de werkzame stof is gewijzigd of niet exact hetzelfde is. De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde dat het niet vereist is dat de werkzame stof identiek is, maar dat therapeutische equivalentie moet worden aangetoond.
De Afdeling benadrukte dat de hybride procedure een ruimer toepassingsgebied heeft dan de generieke procedure en dat het doel van de richtlijn is om de farmaceutische industrie en marktwerking niet onnodig te belemmeren. Teva’s argumenten dat alleen de volledige procedure gevolgd mag worden bij gewijzigde werkzame stof werden verworpen. Het beroep van Teva werd ongegrond verklaard, het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland werd gegrond verklaard en dat vonnis vernietigd. Het CBG werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van Teva wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep tegen het besluit van het CBG ongegrond verklaard.