ECLI:NL:RVS:2018:2843
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering handhavend optreden tegen inritten op grond van APV
Appellanten hebben verzocht om handhavend op te treden tegen inritten op aangrenzende percelen in Reusel. Het college wees dit verzoek af omdat de inritten reeds aanwezig waren vóór de invoering van het vergunningenstelsel in 1997 en daarmee als legaal worden beschouwd. Na bezwaar en aanvullend onderzoek handhaafde het college het besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak overweegt dat het besluit op bezwaar uit twee samenhangende besluiten bestaat, waarbij het latere besluit het eerdere aanvult.
Verder oordeelt de Afdeling dat de luchtfoto's uit 1988 en 1989 voldoende bewijs leveren dat de inritten reeds bestonden en dat wijzigingen zoals het verwijderen van een coniferenhaag en het aanbrengen van klinkerverharding geen vergunningplichtige veranderingen zijn. Ook is vastgesteld dat de parkeerplaats geen inrit is en buiten het beoordelingskader valt.
Het verzoek om handhaving tegen het voetpad naar de voordeur is niet relevant omdat dit pad al voor 1997 bestond en appellanten daartegen geen bezwaar hebben gemaakt. Ten slotte faalt het betoog over het toepassen van een bouwstof omdat dit niet tijdig is ingebracht in de procedure.
De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.